Heb je wel eens dat je naar een hart kijkt en denkt: hoe kan zoiets ingewikkelds ooit stapje voor stapje zijn geëvolueerd? Toch weten we behoorlijk goed hoe dat is gegaan. Diederik vertelt in deze video hoe dat zit.
De eerste meercellige dieren, zoals sponzen, hadden helemaal geen bloedsomloop. Dat was ook niet nodig. Ze waren zo klein dat zuurstof en voedingsstoffen gewoon door diffusie iedere cel bereikten. Net zoals de geur van vers brood zich vanzelf door de straat verspreidt.
Grotere dieren
Toen dieren groter werden, werkte dat niet meer. Bij platwormen en rondwormen zorgden spierbewegingen van het lichaam ervoor dat lichaamsvloeistof langzaam werd rond geduwd. Dat is de eerste primitieve vorm van circulatie en die zie je vandaag de dag nog steeds. Bij ringwormen, zoals de regenworm, wordt het pas echt interessant. Zij hebben een gesloten bloedvatenstelsel met spierige bloedvaten die ritmisch samentrekken. Eigenlijk zijn dat de eerste pompjes.
Bij de eerste gewervelden ontstond vervolgens een echte spierbuis. Nog geen hart met kamers, maar een lange buis die het bloed voortduwt met golfbewegingen, net zoals je slokdarm voedsel naar beneden duwt. En het leuke is: een menselijk embryo begint precies zo. Eerst is het hart een kloppende buis, pas later ontstaan de boezems en kamers. Bij vissen zie je vervolgens een hart met één boezem en één kamer. Daarna wordt het steeds efficiënter. Amfibieën krijgen drie kamers, de meeste reptielen een gedeeltelijk tussenschot en vogels, krokodilachtigen en zoogdieren uiteindelijk vier volledig gescheiden kamers.
Waarom? Omdat actievere dieren steeds meer zuurstof nodig hadden. Een hogere stofwisseling vraagt om een efficiënter hart. Dieren die hun bloed net iets beter konden rondpompen, konden actiever worden, groter groeien en uiteindelijk meer nakomelingen krijgen. En zo ontstond stapje voor stapje het hart waarmee jij nu dit filmpje zit te kijken.
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


