Voor het eerst hebben onderzoekers een inventarisatie gemaakt van meer dan 1000 op 266 verschillende plaatsen in Europa teruggevonden, goed gedateerde veenlijken. Het levert een aantal verrassingen op.

Veenlijken (zie kader) spreken tot de verbeelding. Geen wonder dat er ook al veel onderzoek naar is gedaan. Maar veelal ligt de focus daarbij op individuele, goed bewaard gebleven veenlijken uit specifieke perioden en regio’s. En daarmee zien we heel veel andere waardevolle vondsten die uit afgegraven hoogveen tevoorschijn zijn gekomen – en de verhalen die zij ons vertellen – over het hoofd, zo schrijven onderzoekers in het blad Antiquity. Reden genoeg voor deze wetenschappers om het over een andere boeg te gooien en de allereerste overzichtsstudie naar veenlijken op poten te zetten. Hiertoe analyseerden ze meer dan 1000 goed gedateerde veenlijken, teruggevonden op maar liefst 266 verschillende plaatsen in Noord-Europa. De studie onthult onder meer dat veenlijken een veel langere geschiedenis kennen dan veelal wordt aangenomen en lang niet altijd gezien kunnen worden als rituele offers.

Lang geleden waren grote delen van Europa bedekt met hoogveen: mineraalarm, zuur drasland. Dat vandaag de dag nog maar een fractie van dat hoogveen over is, is te herleiden naar de mens. Al vanaf de middeleeuwen begonnen mensen het hoogveen af te graven, waarna ze het droogden en verhandelden. Het gedroogde veen (turf) bleek namelijk een waardevolle vorm van brandstof te zijn. Maar het hoogveen herbergde meer dan turf alleen, zo ontdekten de turfstekers al spoedig. Regelmatig stuitten ze namelijk – ook in Nederland – op menselijke resten die soms – dankzij het zuurstofarme en zure karakter van het veenwater en het sponzige veenmos – uitstekend bewaard waren gebleven. Bekende veenlijken zijn bijvoorbeeld het in Nederland teruggevonden Meisje van Yde en de Deense Man van Tollund.

Veenskeletten horen er ook bij
In de overzichtsstudie naar veenlijken stellen onderzoekers allereerst dat hét veenlijk niet bestaat. In plaats daarvan kun je veenlijken onderbrengen in drie categorieën: veenmummies (veenlijken met goed bewaard gebleven huid, haar en lichaamsweefsel), veenskeletten (waarvan alleen de botten bewaard zijn gebleven) en delen van veenmummies of -skeletten. Wat we in de afgelopen eeuwen in hoogveen hebben teruggevonden – (gedeeltelijke) veenmummies of -skeletten hangt daarbij vooral af van de bewaringsomstandigheden (niet elk moeras conserveert menselijke resten even goed) en wordt dus niet of nauwelijks gedicteerd door hoe mensen in het verleden in het hoogveen ter ruste werden gelegd. Desalniettemin lag de focus in het onderzoek dat tot op heden naar veenlijken is gedaan sterk op de veenmummies. En dat geeft een vertekend beeld, zo stellen de onderzoekers. Zo blijken veenlijken, als je ook de veenskeletten in ogenschouw neemt, bijvoorbeeld een veel langere geschiedenis te hebben dan gedacht. Want waar veenmummies pas vanaf 2800 voor Christus worden teruggevonden, stammen de eerste veenskeletten al uit 9000 voor Christus. “Je moet veenmummies en veenskeletten in onderlinge samenhang bestuderen, omdat je anders een aanzienlijk deel van het verhaal mist,” vertelt onderzoeker Roy van Beek aan Scientias.nl.

Het paar van Weerdinge bestaat uit twee veenlijken die aan het begin van de twintigste eeuw in Drenthe zijn teruggevonden. Het betreft niet – zoals eerder wel werd gedacht – een echtpaar, maar twee mannen. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Tijd
En die goed bewaard gebleven veenmummies zijn dus een relatief recent verschijnsel; er zijn slechts vijf veenmummies teruggevonden die uit de periode voor 1000 voor Christus stammen. Terwijl we wel bijna 80 veenskeletten kennen die meer dan 3000 jaar oud zijn. En hoewel het aantal veenmummies dat uit de periode tussen 1000 voor Christus en 1100 na Christus stamt, een stuk groter is, zijn de veenskeletten ook in die periode nog in de meerderheid. Dat verandert pas na 1100; dan domineren de veenmummies. “Letterlijk duizenden mensen hebben hun laatste rustplaats in hoogvenen gevonden, waarna ze pas in recente tijd weer zijn ontdekt bij turfwinning,” aldus Van Beek. “De exceptioneel goed bewaard gebleven vondsten zijn maar een klein puzzelstukje in een veel groter verhaal.”

Ruimte
En als je dan de gehele geschiedenis van veenmummies en veenskeletten overziet, komen er nog meer opvallende trends bovendrijven. Zo blijken alle veenskeletten die uit de periode tussen 9000 en 7000 voor Christus stammen, te zijn teruggevonden in Denemarken, het zuiden van Zweden en Noorwegen. Pas vanaf 5200 voor Christus worden de eerste veenskeletten in het Verenigd Koninkrijk en Ierland gevormd (het leeuwendeel van alle veenskeletten uit die tijd wordt echter toch nog altijd in Zuid-Scandinavië teruggevonden). En nog veel later – vanaf 1600 voor Christus – worden ook in Nederland, Duitsland en de Baltische staten mensen in hoogveen ter ruste gelegd. “In het voorkomen van veenmummies en veenskeletten zitten sterke verschillen – zowel in ruimte als in tijd,” concludeert Van Beek.

De Man van Tollund is een bekend veenlijk dat in Denemarken is teruggevonden. Afbeelding: Sven Rosborn (via Wikimedia Commons).

Geslacht en leeftijd
De overzichtsstudie onthult verder ook door de tijd heen wel wat schommelingen qua geslacht en leeftijd. “Maar geen enorme verschuivingen,” aldus Van Beek. Zo blijken de meeste mensen die in het hoogveen eindigden op het moment van overlijden volwassen te zijn, maar ook kinderen zijn – behalve tussen 1600 en 1000 voor Christus – in hoogveen ter ruste gelegd. Verder blijken mannelijke veenlijken in bijna alle perioden te domineren, behalve tussen 5200 en 2800 voor Christus en 1600 tot 1000 voor Christus; in die perioden werden ongeveer evenveel mannen als vrouwen in het hoogveen ter ruste gelegd.

Doodsoorzaak
In hun studie hebben de onderzoekers verder ook gekeken naar de doodsoorzaken van de veenlijken – voor zover die uit de resten af te lezen waren. Van 57 individuen is de doodsoorzaak bekend, zo is in het blad Antiquity te lezen. En in 45 van de gevallen zijn ze door geweld om het leven gekomen. Sommige individuen – met name in de periode tussen 1000 voor Christus en 1100 na Christus vertonen sporen van excessief geweld, met meerdere mogelijke doodsoorzaken. Uit dezelfde periode zijn ons ook enkele veenlijken bekend die sporen van ziekten vertonen en dus een natuurlijke dood lijken te zijn gestorven. En uit de periode na 1100 na Christus hebben onderzoekers onder meer zes gevallen van zelfmoord en vier gevallen van verdrinking geïdentificeerd. “Het wijst erop dat ongelukken en zelfmoorden ook in eerdere fasen mogelijk veel vaker voorkwamen dan eerder werd aangenomen,” aldus de onderzoekers, die erop wijzen dat dergelijke doodsoorzaken lastiger te identificeren zijn als veenlijken uit (veel) vroegere perioden stammen.

Rituele offers
Van goed bewaard gebleven veenlijken werd eerder – onder meer bijvoorbeeld vanwege touwen die rond de nek werden teruggevonden – vaak aangenomen dat het rituele offers betrof. En hoewel we dat van sommige veenlijken – onder meer afgaand op de plaatsen waar ze zijn teruggevonden – wel mogen aannemen, is enige voorzichtigheid toch op zijn plaats, zo blijkt uit deze overzichtsstudie. “Veenlijken moeten niet alleen als rituele offers worden gezien,” vindt Van Beek. “We moeten ook andere verklaringsmodellen meenemen.” Zeker ook met het oog op de lange periode waaruit veenlijken stammen en het grote gebied waarin ze zijn teruggevonden. “Het hoeft niet alleen om rituele offers te gaan, maar ook om mensen die verdwaald of verdronken zijn of slachtoffer werden van een misdrijf.”

Tot in de middeleeuwen
Het onderzoek onthult verder dat mensen ook relatief recent nog in hoogveen ter ruste werden gelegd. Het heeft Van Beek wel verrast, zo vertelt hij. “Veenlijken blijven voorkomen in de middeleeuwen en daarna.” Zelfs tot in de vroeg-moderne tijd.

“Daarnaast heeft het me ook wel verrast dat er zo veel goed dateerbare vondsten getraceerd konden worden – ook met hulp van veel internationale collega’s – en dat er veel meer herhaaldelijk ‘gebruikte’ plekken zijn dan ik verwacht had, en tenslotte ook hoe divers die vindplaatsen zijn. Dus de verscheidenheid valt me meer op dan een eventuele uniformiteit.” En daarmee onthult deze overzichtsstudie vooral dat we met veenlijken op een zeer oude, maar ook heel complexe traditie zijn gestuit.