Nieuw onderzoek heeft een interessante vondst opgeleverd: een gen dat niet veel voorkomt in de rest van de wereld, blijkt in hoge mate aanwezig te zijn bij inheemse bevolkingen in Noord- en Zuid-Amerika. Het gen blijkt afkomstig van een zeer verre voorouder: de denisovamens (Homo denisova).
Het betreft het gen MUC19, dat verantwoordelijk is voor het produceren van verschillende soorten slijm in het spijsverteringskanaal en rondom de longen. Het gen wist zich te verspreiden doordat het DNA van de denisovamens zich vermengde met dat van Neanderthalers en moderne mensen. Bioloog Emilia Huerta-Sánchez, die meewerkte aan het onderzoek, zegt hierover: “Deze vondst laat zien hoe hele vroege kruisingen nog steeds een effect kunnen hebben.”
Ondanks dat blijft MUC19 nog vrij mysterieus. Dat het verschillende soorten slijm aanmaakt staat vast, maar hoe het de dragers vervolgens helpt om beter te overleven is vooralsnog onbekend. Huerta-Sánchez: “We hebben een gen gevonden dat heel adaptief lijkt, maar waarvan we nog niet hebben gekarakteriseerd wat het precies doet. We hopen dat een mogelijk vervolgonderzoek ons hier meer over kan vertellen.” De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in Science.
MUC19
Voor het onderzoek vergeleek het team het DNA van de denisovamens met dat van moderne genomen. Deze genomen zijn verzameld binnen het 1000 Genomes Project: een wetenschappelijke poging om wereldwijd zoveel mogelijk genetische variaties in kaart te brengen. Het team ontdekte door middel van een reeks verschillende statistische tests dat het MUC19-gen, afkomstig van de denisovamens, veelvuldig voorkomt bij Latino’s die afstammen van inheemse bevolkingen in Noord- en Zuid-Amerika.
Daarnaast bleek dat het gen ook aanwezig was bij 23 vroege voorouders die op verschillende Noord- en Zuid-Amerikaanse archeologische vindplaatsen zijn gevonden. Hieruit blijkt dat het gen bijzonder selectief is, al verrassend lang voorkomt en de dragers mogelijk een groot voordeel bood. Huerta-Sánchez: “Iets aan dit gen was in het verleden heel behulpzaam voor deze bevolking. Misschien dat het nu of ooit in de toekomst nog steeds een verschil kan maken.”
DNA
Hoewel het vooralsnog onduidelijk is welk evolutionair voordeel het gen precies geeft, heeft het team al wel een idee: het zou kunnen dat het MUC19-gen het afweersysteem versterkt, waardoor het lichaam beter opgewassen is tegen nieuwe ziekten. Eerder onderzoek van Huerta-Sánchez heeft namelijk al laten zien dat het DNA van de denisovamens bijzonder is. Zo werd destijds een variatie van het EPAS1-gen gevonden, waardoor de Sherpa’s in Tibet zich makkelijker konden aanpassen aan het leven op grote hoogten. Maar ook andere onderzoekers hebben hier al bewijs voor gevonden. Zo werd in 2020 ontdekt dat de 1207L-variant van het gen TNFAIP3 een positief effect heeft op het immuunsysteem.
Over de Homo denisova weten we nog steeds relatief weinig. Deze soort leefde ongeveer 300.000 tot 30.000 jaar geleden. Helaas is er tot nu toe nog maar weinig materiaal gevonden: een collectie van kleiner materiaal in een grot in Siberië, twee kaakbotten in Tibet en Taiwan, en eerder dit jaar een (bijna) complete schedel in China. Ongeveer 60.000 jaar geleden vertrok de moderne mens uit Afrika om vervolgens in Azië de Homo denisova tegen te komen. De kruising met deze mensachtige leidde ertoe dat we beter tegen kou kunnen, wat uiteraard belangrijk was in het koude noorden, zoals we eerder al schreven. Een groep Spaanse evolutiebiologen van de Universitat Pompeu Fabra in Barcelona ontdekte een genvariant die daarvoor zorgt doordat die verantwoordelijk is voor de zinkregulatie. Maar vermoedelijk zaten er ook nadelen aan deze genmutatie. Het maakt de moderne mens wellicht kwetsbaarder voor psychische stoornissen, zoals depressie.


