Geen enkel bewijs dat verstoorde darmflora autisme veroorzaakt: “Als er al een verband is, is het andersom”

Er wordt al jaren gespeculeerd dat autisme niet alleen ‘in het hoofd’ zit, maar ook iets te maken heeft met onze darmen. Documentaires, sociale media en zelfs wetenschappers hebben het idee verspreid dat een verstoorde darmflora de kans op autisme vergroot. Maar een nieuwe Ierse studie veegt de vloer aan met die theorie.

Er is totaal geen wetenschappelijk bewijs voor deze claim, toont onderzoeksleider Kevin Mitchell van het Trinity College in Dublin deze week aan in het vakblad Neuron. “Wat je ook hebt gehoord, gelezen of op Netflix hebt gezien: er is geen enkel bewijs dat een verstoorde darmflora autisme veroorzaakt”, zegt hij. “Ik denk niet dat we nog meer tijd en geld moeten spenderen aan dit topic. We weten dat autisme sterk genetisch bepaald is en daar valt nog genoeg over te ontdekken.”

Hersen-darm-as

Het idee van een link tussen darmen en autisme klinkt aantrekkelijk: het suggereert dat de ontwikkelingsstoornis niet vastligt in de genen, maar beïnvloed kan worden door voeding, bacteriën of supplementen. Voor veel ouders van kinderen met autisme biedt dat hoop. Misschien zou een dieet, probiotica of zelfs een poeptransplantatie verlichting kunnen brengen. Maar volgens Mitchell en zijn collega’s is dat onzin.

De hypothese dat de darmen iets met autisme te maken hebben, is ontstaan doordat veel mensen met autisme ook maag- of darmklachten hebben. Toch betekent dat niet dat het een het ander veroorzaakt. “Dat mensen met autisme vaker spijsverteringsproblemen hebben, wil niet zeggen dat hun darmflora de oorzaak is”, leggen de onderzoekers uit. De stijging van het aantal diagnoses is vooral te verklaren door betere herkenning en bredere diagnostische criteria, niet door een biologisch mechanisme als de hersen-darm-as.

Kleine studies, grote claims

De onderzoekers namen tientallen studies onder de loep waarin de darmflora van mensen met en zonder autisme werd vergeleken. En wat bleek? De meeste studies waren veel te klein, vaak waren er maar twintig of dertig deelnemers en er werden uiteenlopende methoden toegepast. “Autisme is helemaal niet zeldzaam, dus er is geen reden om studies te doen met maar een paar dozijn deelnemers”, zegt biostatisticus Darren Dahly van University College Cork.

De resultaten van de onderzoeken spreken elkaar tegen. Sommige vonden minder bacteriële diversiteit in de darmen van mensen met autisme, andere juist meer. Zodra er rekening werd gehouden met factoren als voeding, leeftijd of familieverbanden, verdwenen die verschillen als sneeuw voor de zon. “Als er al een verband is”, zegt Mitchell, “dan is het waarschijnlijk andersom: autisme kan invloed hebben op iemands eetpatroon en dat beïnvloedt vervolgens de darmflora.” Met andere woorden: het darmmicrobioom reageert mogelijk op autistisch gedrag en niet andersom.

Muizen, probiotica en poeptransplantaties

Ook experimenten met muizen overtuigen niet. “Er is geen bewijs dat ‘autisme-achtig gedrag’ bij muizen iets te maken heeft met echt autisme bij mensen”, legt Mitchell uit. “Bovendien zaten er zoveel methodologische fouten in die experimenten, dat hun conclusies weinig tot geen waarde hebben.” Zelfs studies waarin poeptransplantaties of probiotica bij mensen centraal staan, leveren niets op. Veel van die proeven hadden geen controlegroep, waren niet dubbelblind uitgevoerd of gebruikten te weinig deelnemers om iets zinnigs te kunnen zeggen. “Als je die onderzoeken wél goed uitvoert, zie je simpelweg geen effect”, zegt Dahly. Het is geen slecht idee om te onderzoeken wat voor invloed voeding en darmmicroben hebben op onze gezondheid, maar de stap naar autisme is een brug te ver, dat is nu wel duidelijk.

Dood spoor

Wetenschappers die blijven zoeken naar bewijzen voor de theorie dat de darmflora autisme veroorzaakt, zitten op een dood spoor. “Als we eerlijk zijn, is het tijd om te stoppen met dit onderzoeksgebied. Het is een verspilling van tijd en geld”, aldus onderzoeker Dorothy Bishop van de University of Oxford. “Maar als mensen toch doorgaan, dan moeten ze het in ieder geval een stuk zorgvuldiger aanpakken.”

Het idee dat autisme uit de darmen komt, is een hardnekkige mythe die de aandacht afleidt van waar het echt om gaat. De wetenschap weet inmiddels dat autisme vooral genetisch bepaald is en dat honderden genen bijdragen aan hoe de hersenen zich ontwikkelen. Door meer te investeren in dat onderzoek, hopen de wetenschappers een beter idee te krijgen over wat er precies in de hersenen van mensen met autisme gebeurt en hoe ze beter ondersteund kunnen worden. “We hoeven niet in iemands darmen te kijken om autisme te begrijpen. De echte antwoorden liggen niet in onze ingewanden, maar in ons DNA”, concludeert Mitchell.

Wat is de hersen-darm-as?
De hersen-darm-as verwijst naar het idee dat de hersenen en de darmen voortdurend in beide richtingen met elkaar communiceren. Dat kan doordat het autonome zenuwstelsel de hersenen verbindt met het eigen zenuwstelsel van de darmen. De neurotransmitter serotonine, ook wel het gelukshormoon genoemd, speelt een sleutelrol in de signaaloverdracht. Meer dan 90 procent van dit hormoon wordt in de darmen aangemaakt, de rest in de hersenen. Een van de bekendste voorbeelden van het contact tussen hersenen en darmen is het effect van stress. Stress kan bij veel mensen tot buik- en darmklachten leiden.

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

Bronmateriaal

"Conceptual and methodological flaws undermine claims of a link between the gut microbiome and autism" - Neuron
Afbeelding bovenaan dit artikel: Monstera Production / Pexels

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd