Ga vanavond rond een kampvuur zitten: daar begon volgens deze onderzoekers onze taal

De menselijke taal is misschien niet ontstaan tijdens de jacht of bij het maken van werktuigen, maar rond het kampvuur. Dat stellen gedragsonderzoeker Catherine Hobaiter (University of St Andrews) en antropoloog Nathaniel Dominy (Dartmouth College) in een overzichtsstudie.

Chimpansees communiceren met meer dan 140 verschillende gebaren. Bij berggorilla’s zijn dat er ruim 120. Dat is een orde van grootte meer dan bij andere dieren. Eén en hetzelfde gebaar kan bij mensapen minstens 4 verschillende dingen betekenen, afhankelijk van de context en het individu dat tegenover hen zit.

Dat doen wij ook, maar dan met woorden. “Mooie schoenen” betekent iets heel anders na een begroeting dan vlak nadat iemand naar je mening over een nieuwe hoed heeft gevraagd. De bouwstenen van taal liggen dus al klaar bij onze naaste verwanten. De vraag is waarom wij er iets totaal anders mee zijn gaan doen.

Taal is nergens strikt voor nodig

Het klassieke antwoord: taal was gewoon praktisch. Ze zou nodig zijn geweest om werktuigen te maken, kennis door te geven, samen te jagen of oorlog te voeren.

Volgens de 2 onderzoekers houdt die verklaring geen stand. Kraaien en papegaaien maken werktuigen zonder taal. Mensen kunnen stenen leren bewerken zonder te praten. Chimpansees jagen in groep, verdelen mogelijk rollen, voeren jarenlange grensconflicten, verzorgen zieke soortgenoten en geven zelfs hun cultuur door.

Daar komt bij dat je in een klein, vertrouwd gezelschap nauwelijks woorden nodig hebt. De onderzoekers vergelijken het met muzikanten die al jarenlang samenspelen zonder een woord te wisselen, of met een koppel dat in alle stilte samen het ontbijt klaarmaakt. Chimpansees leven in groepen van 50 tot 70 dieren die elkaar decennialang kennen. Een blik volstaat bij hen. Waarom bij ons dan niet?

Leestip: Onze voorouders konden wellicht eerder zelf vuur maken dan tot nu toe werd gedacht

Overdag geroddel, ’s avonds verhalen

Antropologe Polly Wiessner nam jaren geleden gesprekken op bij de Ju/’hoansi in zuidelijk Afrika. Overdag gingen gesprekken over praktische zaken en roddelden ze met elkaar. Pas rond het kampvuur, na zonsondergang, veranderde de toon: dan pas werd er écht verteld. De Ju/’hoansi spraken er over het verleden, over verre plekken en over mensen die er niet bij waren.

Met gebaren kan dat niet. Met woorden wel. We hebben leren praten over iets wat hier en nu niet aanwezig is. Hobaiter en Dominy denken daarom dat taal rond het kampvuur niet alleen werd verfijnd, maar effectief werd geboren. Het avondvuur was volgens hen de eerste gelegenheid waarbij de hele groep samenkwam om te vertellen wat er die dag gebeurd was en wat er morgen moest gebeuren.

Waarom vuur gebarentaal moeilijk maakt

De gangbare redenering is dat vuur te donker is om gebaren te zien en dat we daarom zijn beginnen te praten. Dat klopt niet, zo blijkt uit metingen van de onderzoekers. Op 40 centimeter van een kampvuur meet je een lichtsterkte van ongeveer 19 lux. Dat is vergelijkbaar met straatverlichting op de stoep en meer dan genoeg om een hand te volgen. Eén probleem is dat het vuur zelf in de weg staat, waardoor je de mensen aan de overkant simpelweg niet ziet.

Belangrijker nog is dat vuur niet stilstaat. Het licht pulseert. Ons oog moet daardoor voortdurend schakelen tussen 2 manieren van kijken en dat gaat ten koste van scherpte.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!

Geflakker heeft nog een eigenschap. Volgens de voorlopige metingen van de onderzoekers pulseren vlammen ongeveer 2,7 keer per seconde. Dat valt samen met de traagste hersengolven, die te maken hebben met aandacht en geheugen. Zenuwcellen in de visuele hersenschors hebben de neiging om mee te tikken op knipperend licht. Wie samen naar hetzelfde vuur kijkt, zou dus letterlijk op dezelfde golflengte kunnen komen te zitten. Menselijke spraak beweegt zich tussen 2 en 7 lettergrepen per seconde; het ritme van een vuur valt daar net binnen, aan de trage kant. Net daar situeren de auteurs het vertellen van verhalen.

Het toeval wil bovendien dat de kleur van vuur bijna perfect past bij onze roodgevoelige kegeltjes. Die ontwikkelden zich zo’n 35 tot 40 miljoen jaar geleden, lang voordat iemand het vuur beheerste. Dat is puur geluk dus. En omdat vuurlicht nauwelijks blauw bevat, verstoort het het slaaphormoon veel minder dan gewoon licht. Op zijn felst onderdrukt een vuur dat hormoon nog een beetje; een dovend vuur zit in de ideale zone om in slaap te vallen en gloeiende kooltjes zijn wat dat betreft het best van al. In jager-verzamelaarssamenlevingen rekt vuur de dag met ongeveer 4 uur op, met weinig nadelige gevolgen.

Kanttekeningen

Dit is een overzichtsartikel met een hypothese en geen bewijs. De onderzoekers zelf noemen de reputatie van evolutionaire scenario’s “terecht slecht” en formuleren 6 voorspellingen die nog volledig getoetst moeten worden.

De belangrijkste ontbreekt nog helemaal: niemand heeft ooit gemeten hoe verhalend spreken structureel verschilt van gewoon spreken. Zonder die cijfers hangt de hele vergelijking met het ritme van vuur in de lucht. 

Daar komt bij dat de observaties bij de Ju/’hoansi uit één hedendaagse gemeenschap komen; die zomaar terugprojecteren naar 2 miljoen jaar geleden is een grote stap.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

 

Bronmateriaal

"Firelight and the origins of spoken language" -
Afbeelding bovenaan dit artikel: Ben White / Unsplash

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd