Veel meer dan vroeger worden we op social media, in kranten en op tv blootgesteld aan desinformatie. We moeten onze kinderen hiervoor wapenen door hen te leren hoe het (pseudowetenschappelijke) kaf van het (wetenschappelijke) koren te scheiden.

Klimaatmodellen voorspellen steeds nauwkeuriger hoe erg de aarde opwarmt en welke gevolgen dat heeft. Wetenschappers zijn het er bovendien allang over eens dat menselijke activiteit de oorzaak is. En toch gelooft zo’n 30 procent van de Amerikanen niet dat de mens verantwoordelijk is voor klimaatverandering en denken zij niet tijdens hun leven met de gevolgen daarvan te worden geconfronteerd. Terwijl de James Webb-ruimtetelescoop naar het begin van het universum tuurt en er steeds meer duidelijk wordt over het ontstaan en de opbouw van het heelal, is 20 procent van de Amerikanen ervan overtuigd dat de aarde plat is. En terwijl farmaceutische bedrijven vaccins blijven ontwikkelen om nieuwe coronavarianten te bestrijden, gelooft ongeveer 10 procent van de Amerikanen in de complottheorie dat de injecties enkel ontworpen zijn om microchips in te brengen bij de bevolking voor surveillancedoeleinden.

Twee Stanford-wetenschappers onderzochten waar dergelijke overtuigingen vandaan komen en hoe ze de kop in kunnen worden gedrukt. Ze stellen in vakblad Science dat een nieuwe benadering van wetenschappelijk onderwijs de samenleving kan beschermen tegen wetenschappelijke desinformatie in al zijn vormen, van misleidend tot kwaadaardig.

Desinformatie is hardnekkig
“Er is een fundamentele verschuiving nodig. De normen voor het onderwijs van de kleuterschool tot en met de middelbare school werden opgesteld, voordat desinformatie zo’n wijdverspreid probleem werd. Het is belangrijk om het probleem op jonge leeftijd aan te pakken”, legt emeritus hoogleraar onderwijskunde Jonathan Osborne uit. “Kinderen zijn flexibeler in hun denken en doen. Volwassenen zijn door de bank genomen veel minder geneigd om de ‘alternatieve feiten’ waarin zij geloven op te geven of zelfs maar in twijfel te trekken, wanneer ze worden geconfronteerd met redelijke argumenten. Vooral als die overtuigingen te maken hebben met hun politieke of persoonlijke identiteit.”

Osborne en promovendus Daniel Pimentel beschreven in hun rapport Science Education in an Age of Misinformation strategieën om studenten voor te bereiden op de confrontatie met dubieuze wetenschappelijke stellingen. Zo adviseren ze het curriculum aan te passen en leraren bij te scholen. Ook stellen ze voor om de capaciteiten van studenten om desinformatie te herkennen regelmatig te toetsen.

Drie belangrijke controlevragen
“Allereerst moeten studenten weten hoe ze de betrouwbaarheid van een bron kunnen controleren. Deze taak begint meestal met het beantwoorden van drie belangrijke vragen: wie levert deze informatie, waar komt de informatie vandaan en wat is het achterliggende motief van de schrijver?” zegt Osborne. “Het is meestal belangrijker om de bron van de tekst te evalueren dan de inhoud. Als de bron niet door de controle komt, kun je het bericht of artikel het beste meteen wegleggen.”

Nepnieuws herkennen is niet makkelijk. Dat kun je beter maar jong leren. Foto: B4LLS

“Om zich te wapenen tegen dubieuze bronnen, is het belangrijk dat kinderen leren hoe ze zoekmachines kunnen gebruiken om betrouwbare en onbetrouwbare bronnen te identificeren”, aldus Osborne. Het is volgens het rapport belangrijk dat leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs deze internetvaardigheden aanleren: leerlingen moeten weten hoe ze zoektermen kunnen aanpassen om de meest betrouwbare resultaten te krijgen, hoe ze gesponsorde inhoud kunnen herkennen en hoe ze snel de meest geloofwaardige informatie kunnen identificeren in een zee van zoekresultaten.

‘Competente buitenstaanders’
“Het is niet mogelijk, en ook niet het streven, om van elke student een expert te maken op elk gebied van de wetenschap. In plaats daarvan zou het doel moeten zijn om ‘competente buitenstaanders’ op te leiden die de grondbeginselen van een onderzoeksveld kunnen begrijpen zonder daar jarenlang voor te hebben gestudeerd”, vertelt Pimentel.

De onderwijskundige wijst op klimaatverandering, een onderwerp waar wetenschappers vaak recht tegenover klimaatsceptici en hun politieke of economische motieven staan. Slechts een klein percentage van de bevolking heeft de expertise in huis om klimaatmodellen te bouwen en te interpreteren. Het is dus niet de bedoeling om een groot leger aan klimaatwetenschappers op te leiden, maar om leerlingen te vertellen over wetenschappelijke modellen en de grondbeginselen van het wetenschappelijke proces te laten begrijpen.

Context en dynamiek
Studenten moeten ook bereid zijn om open te staan voor de meningsverschillen die onvermijdelijk in de wetenschap ontstaan, volgens Osborne. Traditioneel wetenschappelijk onderwijs verdoezelt vaak de dynamische aard van wetenschap en de evolutie van kennis. “Zelfs tot op bachelorniveau hamert het huidige wetenschappelijke onderwijs op harde feiten. Dit moet anders; wetenschap is ingewikkeld. Een beter begrip van hoe wetenschap werkelijk werkt, kan mensen helpen om argumenten en tegenstrijdig bewijs binnen een bepaalde context te plaatsen”, aldus Osborne.

“Je moet enig begrip hebben van de belangrijkste ideeën in de wetenschap, maar je moet mensen ook leren inzien dat ze in het leven geconfronteerd gaan worden met wetenschappelijke kennis die hun begrip te boven gaat. En als je daarmee geconfronteerd wordt, hoe neem je dan een goede beslissing?” schrijft het tweetal in hun rapport. “Verkeerde informatie grenst vaak aan het belachelijke, maar de opkomst van desinformatie in onze samenleving is een ernstige zaak.”