De Nederlandse taal staat er anno 2021 namelijk goed voor.

Tot die conclusie komen onderzoekers in een vorige maand verschenen rapport dat handelt over de staat van het Nederlands. Voor het rapport – dat sinds 2016 elke twee jaar verschijnt – gaan onderzoekers na welke taalkeuzes mensen van verschillende leeftijden in Nederland, Vlaanderen en Suriname in uiteenlopende situaties – in de naaste omgeving, het werk, onderwijs en op sociale media – maken. Gebruiken ze het Nederlands? Of nemen ze hun toevlucht tot een andere taal? Of blijven ze juist dichter bij huis door een dialect of streektaal te bezigen?

Veranderingen
“Door dit onderzoek elke twee jaar onder dezelfde respondenten af te nemen, kunnen we een beeld krijgen van eventuele veranderingen die door de tijd heen optreden,” zo legt professor Frans Hinskens, coördinator van het onderzoek naar de staat van het Nederlands, uit. En ook dit jaar zijn er enkele interessante trends zichtbaar. “Bijvoorbeeld als het gaat om de taalkeuze op sociale media. We zien daar – en dat is misschien wel een beetje verrassend – dat het gebruik van het Engels afneemt, ten gunste van het Nederlands.” Het is volgens Hinskens het beste te verklaren door glokalisatie: door globalisering ingegeven veranderingen op lokaal niveau. “Eigenlijk betekent het dat de wereld zowel groter als kleiner wordt,” stelt Hinskens. Maar hoe werkt dat precies door in het taalgebruik op sociale media? “Juist vanwege de schaalvergroting zie je dat mensen zich bewuster worden van hun plaats in het grotere geheel en hun identiteit. En daar hoort voor sommigen een eigen taal of dialect bij.” En die eigen taal lijkt op sociale media – dé plaatsen bij uitstek waar mensen zichzelf en hun ideeën etaleren – dus in toenemende mate gekoesterd te worden.

Onderwijs
Een tweede opvallende verandering betreft de houding van onderwijsmedewerkers en studenten op universiteiten jegens het Nederlands. “In de afgelopen decennia is het gebruik van het Engels met name op Nederlandse universiteiten flink toegenomen. Maar we zien Engels niet alleen steeds vaker opduiken in onderzoeken – waar het gebruik van het Engels nog wel nuttig is, omdat je natuurlijk wilt dat je onderzoeksresultaten internationaal beschikbaar zijn – maar ook in gebieden waar je het niet zo snel zou verwachten.” Zoals in colleges bijvoorbeeld. “We zien dat in ons onderzoek nog niet echt minder worden. Maar tegelijkertijd is de houding van onderwijsmedewerkers en studenten wel aan het veranderen. Ze zijn er niet langer van overtuigd dat het in de academische setting in alle situaties nuttig is om het Nederlands in te ruilen voor het Engels.” Sterker nog: men lijkt er in toenemende mate van doordrongen te raken dat het – ook met het oog op studenten die de Nederlandse taal willen leren – juist nuttig kan zijn om het Nederlands te bezigen. “Zo is het voor toekomstige artsen niet per se zinvol als zij les krijgen in het Engels, terwijl de meesten van hen straks voornamelijk Nederlands sprekende patiënten moeten gaan helpen. Hetzelfde geldt voor de rechtspraak; ook Nederlandse advocaten hoeven niet zonder meer in het Engels onderwezen te worden.”

Dat de houding van studenten en medewerkers in het onderwijs verandert, suggereert voorzichtig dat we mogen verwachten dat het Nederlands in het hoger onderwijs terrein zal gaan terugwinnen. Daarmee zou een einde kunnen komen aan wat Hinskens de “bijna agressieve opmars van het Engels” noemt. “Die zien we in Nederland overigens veel meer dan in Vlaanderen, Brussel en een meertalig land als Suriname.”

Sterke positie
De onderzoekers keken niet alleen naar de taalkeuzes die mensen op sociale media en in het (hogere) onderwijs maken; ze onderzochten ook welke talen of dialecten mensen in andere situaties gebruiken. Bijvoorbeeld in sociaal verkeer, thuis of op het werk. Daar blijkt echter in de laatste jaren niet zoveel te zijn veranderd. “We zien tussen de drie meetmomenten die we nu hebben (2016, 2018 en 2020, red.) weinig tot geen grote veranderingen. Ook zien we geen wezenlijke veranderingen tussen generaties.” Dat laatste is belangrijk, omdat het laat zien dat het Nederlands ook onder jongeren onverminderd populair is. “Het Nederlands heeft in alle onderzochte gebieden – waaronder ook gebieden waar streektalen worden gesproken – en ook in alle deeldomeinen een sterke positie. Aan het gebruik ervan wordt zeker in Suriname en Vlaanderen, maar ook in Nederland eigenlijk niet getornd. Alleen in het universitaire onderwijs rommelt het wat.” Maar ook dat is vooralsnog geen reden tot zorg. “Zelfs daar wordt het Nederlands niet echt bedreigd,” benadrukt Hinskens. “Er is hooguit sprake van concurrentie met andere talen en dan met name het Engels. “En ik voor mij heb er vertrouwen in dat het Nederlands zich ook daar kan handhaven.”

Dialecten en streektalen
Voor de dialecten en streektalen ziet het er helaas wat minder rooskleurig uit. Waar 66 procent van de ondervraagde Vlamingen in 2018 nog aangaf een dialect – of iets tussen dialect en Nederlands in – te spreken, was dat in 2020 nog maar 52 procent. En ook in Nederland en Brussel liep het percentage dialectsprekers terug van respectievelijk 46 en 29 procent naar 33 en 24 procent. Volgens Hinskens liggen aan de teloorgang van dialecten en streektalen meerdere factoren ten grondslag. Maar één van de belangrijkste oorzaken is toch wel dat dialectsprekende ouders hun kinderen geen dialect meer meegeven. “Dat roept dan natuurlijk weer de vraag op waarom ouders dat niet doen. En dat vloeit toch vaak voort uit de overtuiging dat je met een dialect niet veel kan bereiken en dat het Standaardnederlands belangrijker is.” Dat is tenslotte ook de voertaal in het onderwijs, iets wat volgens Hinskens weer te herleiden is naar de Franse tijd en de negentiende eeuw. “Toen ontstond het idee dat een staat pas een eenheid is als er één taal gesproken wordt. Alles wat van die taal afweek, werd gezien als een bedreiging voor de eenheid en die opvatting heeft lang doorgewerkt, ook in het onderwijs, waar het Standaardnederlands nog altijd de voertaal is.”

Betreurenswaardig
Dat dialecten en spreektalen het onderspit delven, valt te betreuren. “Er is toch een hoop taalkundige rijkdom en diversiteit die zo verdampt. Maar het is ook voor de sprekers zelf heel jammer, want met hun dialect of streektaal verdwijnt ook een stukje van henzelf.”

Reddingsoperatie
Een dialect of streektaal van de ondergang redden, is ondertussen lastig. Niet in de laatste plaats omdat dergelijke reddingspogingen van binnenuit moeten komen; vanuit de gemeenschap die het dialect altijd bezigt. Maar buitenstaanders staan niet helemaal machteloos, merkt Hinskens op. “Je kunt dialecten wel ondersteunen, bijvoorbeeld door plaats te maken voor de spreektaal in de media, het bestuur, de rechtspraak en het onderwijs. Zo kan er maatschappelijk gezien meer draagvlak en erkenning voor een dialect of streektaal komen.” Tegelijkertijd moeten we ook realistisch zijn. “Of het tij nog gekeerd kan worden, is zeer de vraag.”

Een stuk zorgelozer oogt de toekomst van het Standaardnederlands. “Het Nederlands blijft het in het sociaal verkeer, op sociale media en op het werk bijzonder goed doen,” zo concluderen de wetenschappers in hun onderzoeksrapport. Waar ouders dialecten en streektalen niet doorgeven, doen ze dat met het Nederlands wel. Ook wanneer dat Nederlands niet hun eigen moedertaal is. “Ook al vinden niet alle niet-moedertaalsprekers het Nederlands een even mooie taal, de meesten vinden het wel degelijk belangrijk dat hun kinderen het beheersen.” En zo wordt en passant de toekomst van onze Nederlandse taal in huiskamers en klaslokalen veilig gesteld. “Als het over taalkeuzes gaat, blijft het Nederlands in het maatschappelijk leven de belangrijkste plek innemen,” zo concludeert Hinskens. “En er is geen enkele reden om aan te nemen dat dat op korte of zelfs middellange termijn gaat veranderen.”