Dat stellen onderzoekers in een nieuwe studie. Het zou dan vooral gaan om kleine zoogdieren, zoals vleermuizen, knaagdieren en mollen.

Er zijn ons op dit moment zo rond de 6500 zoogdiersoorten bekend. Maar daarmee hebben we waarschijnlijk nog maar 80 procent van de zoogdiersoorten wereldwijd beschreven: honderden – voornamelijk kleine – soorten zouden namelijk anno 2022 nog op ontdekking wachten. En veel van die soorten hebben we echt al wel eens gezien, maar worden op dit moment tot een ons reeds bekende soort gerekend, terwijl ze eigenlijk een eigen soortnaam verdienen. Dat schrijven onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Genetisch onderzoek
“Kleine, subtiele verschillen in uiterlijk zijn veel lastiger op te merken als je naar een klein dier kijkt dat 10 gram weegt dan wanneer je naar een dier kijkt dat ongeveer net zo groot is als een mens,” stelt onderzoeker Bryan Carstens. “Je kunt (in het geval van kleine dieren, red.) alleen vaststellen dat ze tot verschillende soorten behoren als je een genetische analyse uitvoert.”

En als we dat voor al die ons bekende kleine zoogdiersoorten zouden doen, zouden we volgens de onderzoekers dus nog op behoorlijk wat nieuwe soorten stuiten. “Afgaand op onze analyse zijn er wereldwijd honderden zoogdiersoorten te vinden die nog niet beschreven zijn,” stelt Carstens. “En dat is nog een conservatieve schatting.”

Methode
De onderzoekers trekken die conclusie nadat ze bijna 1 miljoen gensequenties van 4300 beschreven zoogdiersoorten verzamelden en analyseerden. “Om al deze genetische data te analyseren, maakten we gebruik van een methode die ‘automated species delimitation’ wordt genoemd en waarbij genetische sequenties van verwante individuen met elkaar vergeleken worden, met als doel de verschillen te vinden en individuen op basis van die verschillen toe te wijzen aan de juiste soort,” legt onderzoeker Danielle Parsons aan Scientias.nl uit. “Nadat we die methode loslieten op onze data ontdekten we dat voor tot wel een derde van de soorten waarmee we in onze uiteindelijke analyse werkten, voorspeld kon worden dat ze waarschijnlijk onbeschreven diversiteit herbergen.”

In de regenwouden
Maar waar is de kans om op ‘verborgen soorten’ te stuiten nu het grootst? Ook dat hebben Parsons en collega’s uitgezocht. Zo voorspelt hun model dat onbeschreven soorten met name veel te vinden zijn binnen beschreven soorten met een groter leefgebied. Je moet dan denken aan een leefgebied dat zodanig groot is dat het ook heel divers is; zo’n leefgebied promoot de totstandkoming van nieuwe soorten die qua uiterlijk misschien wel heel sterk op hun familieleden lijken, maar zich genetisch toch zodanig aan een andere uithoek van dat leefgebied hebben aangepast dat ze op basis van hun DNA niet meer tot dezelfde soort gerekend kunnen worden. Daarnaast verwachten de onderzoekers dat ook de tropische regenwouden nog veel onbeschreven soorten herbergen. Ook dat is logisch, omdat we daar – nu reeds – de meeste zoogdiersoorten aantreffen.

Behoud van soorten
Afgaand op het onderzoek zijn er dus grote leefgebieden waarvan we nu aannemen dat één soort er overvloedig floreert, terwijl dat leefgebied in werkelijkheid is opgeknipt in kleinere gebieden die elk verschillende, maar qua uiterlijk identieke, soorten herbergt. En als je je dat realiseert, wordt direct duidelijk waarom het zo belangrijk is om deze verborgen soorten te vinden. Het kan namelijk betekenen dat een soort waarvan we nu denken dat deze er goed voorstaat, in werkelijkheid een veel kleinere populatie kent en veel afhankelijker is van onze bescherming dan gedacht. “We kunnen een soort niet beschermen als we niet weten dat deze bestaat,” stelt Carstens.

Het mag dan niet zo spectaculair zijn om een soort te ontdekken die qua uiterlijk niet of nauwelijks te onderscheiden is van een andere, ons reeds bekende soort waartoe deze eerder gerekend werd; belangrijk is het zeker, zo stelt ook Parsons. “Wanneer mensen denken aan de ontdekking van nieuwe soorten, dan stellen ze zich vaak expedities voor naar afgelegen landen, waar vervolgens soorten gevonden worden die compleet nieuw zijn voor de wetenschap. En dat soort ontdekkingen is ongetwijfeld heel opwindend en vindt nog altijd – ook in goed bestudeerde diergroepen – plaats. Een recent voorbeeld daarvan is de ontdekking van de Sulawesi-snouter, een in de bergen levende buidelrat met een varkensachtige neus.” Maar de realiteit is dat de meeste nieuwe soorten die vandaag de dag ontdekt worden, niet gloednieuw zijn, in die zin dat we niet van hun bestaan afweten. In plaats daarvan gaat het om individuen waarvan we wel reeds weten dat ze op aarde rondlopen, maar ons nog niet realiseren dat ze een eigen soortnaam verdienen en onterecht tot een andere soort rekenen. “Zo zijn er bijvoorbeeld Noord-Amerikaanse vleermuizen (Myotis lucifugus) waarbinnen waarschijnlijk meerdere soorten te vinden zijn. En het zijn juist deze ‘verborgen soorten’ die we met onze analyse wilden detecteren. Want de ontdekking van deze verborgen soorten leidt waarschijnlijk tot veel andere verrassingen.”

Het onderzoek pleit duidelijk voor meer (taxonomische) studies. Maar wie denkt dat het – gewapend met voldoende tijd en geld – vrij gemakkelijk moet zijn om al die verborgen soorten op te snorren, heeft het mis, zo stelt Parsons. Zelfs als we ons inspannen om alle soorten op aarde te ontdekken, zullen er altijd onbeschreven soorten op ontdekking blijven wachten. Dat heeft deels te maken met het feit dat het identificeren van nieuwe soorten een stuk complexer is dan je misschien zou denken. En daarnaast is de vorming van nieuwe soorten ook nog eens een voortdurend proces. “Soortvorming, oftewel het proces dat leidt tot de vorming van een nieuwe soort, vindt plaats op een spectrum. Er wordt door taxonomen veel gediscussieerd over de hoeveelheid verandering die een soort moet ondergaan om tot een nieuwe soort gerekend te worden (…) In veel gevallen is soortvorming maatwerk. Naast genetische data moet je als je een soort formeel wilt beschrijven bovendien ook kijken naar andere factoren, zoals geografie, gedrag en fysiologie. En als klap op de vuurpijl worden er constant nieuwe soorten gevormd. Dus er blijven door de tijd heen nieuwe soorten ontstaan. Dat lijkt misschien niet zo heel bemoedigend, maar in feite is dat heel opwindend, omdat we met elke nieuwe soort die we ontdekken de wereld om ons heen beter gaan begrijpen.”

Er is voor taxonomen dus veel – en continu – werk aan de winkel. En daarbij is het belangrijk om je te realiseren dat deze studie enkel nog maar over zoogdieren handelt. “En zoogdieren zijn aantoonbaar één van de meest bestudeerde diergroepen op de planeet,” aldus Parsons. “Onze resultaten suggereren dat zelfs onder zoogdieren nog veel onbeschreven soorten te vinden zijn. En dat wijst er weer op dat in andere, veel diversere groepen waarvoor veel minder aandacht is, het aantal onbeschreven soorten waarschijnlijk nog vele malen hoger ligt. En dat impliceert dat we als samenleving dringend meer moeten investeren in taxonomisch onderzoek.”