Als koningsdochters in Egypte een boog, pijlen of een sierlijke dolk meekregen in hun graf, was dat volgens de klassieke lezing puur symbolisch. Nieuw onderzoek aan de skeletten van vier prinsessen en een koning uit de necropool van Dahshur zet dat beeld op losse schroeven.
De resten dateren uit het late Middenrijk, ruwweg tussen 1850 en 1700 voor Christus. De Franse archeoloog Jacques de Morgan groef ze in 1894 en 1895 op rond de piramides van Amenemhat II en Amenemhat III.
De meeste van die skeletten bleven echter meer dan een eeuw lang vrijwel onaangeroerd liggen. Destijds kregen slechts twee individuen een oppervlakkig anatomisch onderzoek. De rest verdween in houten kisten in de kelders van het Egyptisch Museum in Caïro, waar onderzoekers ze in 2020 herontdekten. Sommige botten dragen nog de handgeschreven namen die de negentiende-eeuwse opgravers er eigenhandig op zetten, en enkele resten waren zelfs nog verpakt in kranten uit die tijd.
Wat een bot onthoudt
De onderzoekers keken naar de spieraanhechtingen van deze lichamen om te achterhalen hoe ze hebben geleefd. Langdurige belasting laat immers sporen na; het aanhechtingspunt wordt ruwer en dikker. Vaklieden noemen dat entheseale veranderingen. Je kunt het een beetje vergelijken met de eeltplekken die een gitarist op zijn vingertoppen krijgt, maar dan op de botten.
Verschillende prinsessen hadden extra ontwikkelde spiergroepen die je nodig hebt om een boog te spannen, zoals de spieren die de onderarm draaien. Bij prinses Noeb-Hotep waren de aanhechtingen aan haar rechterhand duidelijk zwaarder dan aan haar linkerhand. Dat wijst op een dominante hand. Een van haar middenhandsbeentjes had bovendien een lichte kromming zonder enig teken van ziekte, wat het team toeschrijft aan herhaald, krachtig grijpen. In haar graf lagen pijlen.
Bij prinses Ita wijzen de stevige onderarm- en handaanhechtingen eerder op een dolk of strijdknots. En inderdaad: in haar graf lag een dolk.
Geen makkelijk leven
Verschillende individuen liepen breuken op die netjes waren genezen. De onderzoekers vonden geheelde ribben bij prinses Itaweret en stressbreukjes in haar middenvoetsbeentjes. Bij koning Hor vonden ze een genezen handbreuk en duidelijke littekens op zijn schedel.
Dat die breuken zo goed hersteld zijn, wijst op deskundige verzorging. Egyptische teksten vermelden dat geneesheren fracturen konden zetten en spalken en deze lichamen bevestigen dat.
Tegelijk was hun elitestatus geen garantie op een zorgeloos bestaan. Koning Hor droeg sporen van voedingstekort of infectie uit zijn kinderjaren. Prinses Khenmet had dunne botwanden, wat wijst op botontkalking. Wel bereikten ze allemaal de volwassen leeftijd, wat op zich al iets zegt over hun bevoorrechte positie.
Aangeboren afwijkingen
Alle individuen in de groep hadden bovendien aangeboren afwijkingen aan de wervelkolom. Zulke kenmerken zijn grotendeels erfelijk. Omdat ze bij meerdere individuen terugkeren, wijst dat op een nauw verweven familie waarin huwelijken binnen de eigen lijn gebruikelijk waren.
Ten slotte onderzochten de auteurs de zwarte harsresten die nog op de botten kleefden, met een techniek die de chemische vingerafdruk van een stof zichtbaar maakt. Bijna overal ging het om dezelfde mengeling van wierook en jeneverhars.
Geen van beide groeit in noemenswaardige hoeveelheden in de buurt: de balsemers lieten hun grondstoffen klaarblijkelijk via lange handelsroutes uit onder meer Nubië en de Hoorn van Afrika aanvoeren. Omdat het recept bij vrijwel iedereen hetzelfde was, vermoeden de onderzoekers dat dit een gestandaardiseerde begrafenispraktijk was voor de elite.
Wil je niets van Scientias missen? Voeg Scientias toe als voorkeursbron op Google dan zie je al onze verhalen!
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


