Onderzoekers van het Gladstone Institutes en UC San Francisco hebben ontdekt hoe één klein eiwit van het coronavirus chaos veroorzaakt in je longen. Maar er is ook een sprankeltje hoop.
Bij de ziekste coronapatiënten gaat er iets grondig mis dat weinig met het virus zelf te maken heeft. Hun afweersysteem slaat op hol. In plaats van de indringer op te ruimen, vult het de longen met ontstekingsvocht en beschadigt het weefsel dat je nodig hebt om zuurstof op te nemen. Dat weten artsen al sinds 2020. Wat ze niet wisten, was welk onderdeel van het virus daarvoor zorgt.
Extra deuren
De hoofdrol is weggelegd voor een opruimcel, een grote witte bloedcel die rondzwerft in je weefsels en alles opeet wat er niet hoort. Normaal is dat je eerste verdedigingslinie tegen ziektes.
Om binnen te komen in een cel heeft het coronavirus een aanmeerpunt nodig aan de buitenkant van die cel. Opruimcellen hebben er van nature weinig van en zijn dus lastig te infecteren.
Het virus lost dat op door een klein eiwit uit te scheiden. Dat eiwit hecht zich aan een ontvanger op de opruimcel en geeft daarmee een vals signaal af. Het gevolg: de cel gaat plots veel meer van die aanmeerpunten aanmaken. Ze zet als het ware extra deuren in haar eigen muur en het virus wandelt naar binnen.
Vicieuze cirkel
Wat daarna gebeurt, is het echte probleem. De besmette opruimcel verliest haar vermogen om terug te vechten en gaat uiteindelijk dood. Bij dat afsterven laat ze een alarmstof los.
Die stof waarschuwt de omgeving dat er iets mis is. Het weefsel rondom reageert met een brede ontstekingsreactie. En pijnlijk genoeg maakt diezelfde reactie de longcellen in de buurt net kwetsbaarder voor infectie.
Zo ontstaat een vicieuze cirkel. Het virus gebruikt de afweer om de baan vrij te maken voor zichzelf, de afweer beschadigt de longen en de beschadigde longen vangen nog meer virus op.
De onderzoekers zagen dat effect ook in het lab. Legden ze longcellen alleen bij het virus, dan verliep de vermeerdering traag. Voegden ze opruimcellen toe, dan ging het veel sneller, maar alleen bij de virusvariant die het eiwit in kwestie nog bezat. Muizen die besmet werden met die variant hadden meer longschade en meer littekenweefsel dan muizen die het virus zonder dat eiwit kregen.
Een medicijn dat al bestaat
Dat opent een deur voor een behandeling. Vandaag krijgen ernstig zieke coronapatiënten vaak ontstekingsremmers die het hele afweersysteem afremmen. Dat kalmeert de longen, maar verzwakt tegelijk de verdediging tegen het virus zelf. Het is een ondankbare afweging.
De onderzoekers probeerden daarom iets gerichters: een antistof die precies die ene ontvanger op de opruimcel afschermt, zodat het viruseiwit er niet meer bij kan. Zo’n middel bestaat al en is in de VS goedgekeurd tegen een huidaandoening, onder de naam brodalumab. Bij besmette muizen zagen de onderzoekers minder ontsteking, minder virus en minder littekenvorming.
Wat dit nog niet bewijst
Het gaat hier voorlopig om muizen en kweekcellen, geen menselijke patiënten. Klinische studies moeten aantonen of dit ook bij mensen werkt.
Er is ook een openstaande tegenstrijdigheid. Eerder onderzoek vond dat hetzelfde eiwit in geïsoleerde longcellen de virusvermeerdering net leek af te remmen. Het beeld is dus afhankelijk van welk celtype je bekijkt.
Het onderdrukken van een ontstekingsroute is ten slotte nooit zonder risico: diezelfde route beschermt je ook tegen andere infecties.
We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook AI ontwerpt zestien echte virussen die bacteriën doden en Je cellen bevatten een verrassend wapen tegen virussen. Of lees dit artikel: 45.000 longen onderzocht: deze ziekte kost je net zoveel levensjaren als diabetes.
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

