De Noordpool lijkt op dit moment geen hele appetijtelijke plek voor dieren. Maar draai de klok 70 miljoen jaar terug en dat was heel anders. In wat nu Noord-Alaska is, krioelde het toen van de kleine, knaagdierachtige zoogdieren, die prima gedijden tussen de dinosaurussen.
Wetenschappers hebben drie compleet nieuwe soorten ontdekt die in het oude poolgebied leefden. De vondst werpt nieuw licht op hoe zoogdieren extreme omstandigheden overleefden. We kunnen wel stellen dat het Noordpoolgebied veel belangrijker was voor het evolutieproces dan lang werd aangenomen.
Leven aan de rand van de wereld
De fossielen zijn ongeveer 73 miljoen jaar oud en zijn gevonden in de zogeheten Prince Creek Formation, een beroemde vindplaats in het uiterste noorden van Alaska, boven de poolcirkel. Het leven in die streken was indertijd zeker geen makkelijke opgave. De regio kende maandenlange duisternis in de winter, temperaturen onder het vriespunt en er kwamen bij tijd en wijle flinke voedseltekorten voor. Toch waren de kleine zoogdieren er op hun plek.
Onderzoekers identificeerden de dieren aan de hand van fossiele tanden en gaven ze kleurrijke namen: maak kennis met Camurodon borealis (noordelijke gebogen tand), Qayaqgruk peregrinus (de kleine zwervende held) en Kaniqsiqcosmodon polaris (poolse met rijp versierde tand). “Poolgebieden hebben niet dezelfde biodiversiteit als de tropen, maar het waren absoluut plekken waar het leven volop tot bloei kwam. Het is prachtig om te zien dat lang geleden, in een vroeg hoofdstuk van de aardse geschiedenis, al dit leven bestond”, zegt hoofdonderzoeker Sarah Shelley van de University of Colorado.
Leestip: Deze kleine deeltjes op de Noordpool dragen onverwacht bij aan de opwarming van de aarde
Oeroude overlevers
Alle drie de nieuw ontdekte soorten behoren tot een inmiddels uitgestorven groep zoogdieren, de Multituberculata. Die dieren waren ongeveer zo groot als een muis of rat en ontpopten zich tot ware kampioenen in overleven. Ze trippelden meer dan 100 miljoen jaar lang over onze planeet: vanaf het Jura tot aan het einde van het Eoceen, zo’n 35 miljoen jaar geleden. Vergelijk dat eens met onze eigen soort, Homo sapiens, die pas ongeveer 300.000 jaar bestaat. Deze zoogdieren waren voor geen kleintje vervaard. Ze overleefden zelfs de inslag van de asteroïde die alle niet-vliegende dinosauriërs uitroeide 65,5 miljoen jaar geleden.
Flexibele eters
Wetenschappers vragen zich al jaren af hoe het mogelijk is dat Multituberculata zo succesvol kon zijn. Fossiele tandjes uit de Prince Creek Formation helpen ons nu op weg. Ze laten namelijk zien dat de drie soorten hele verschillende eetgewoonten hadden. Camurodon borealis lijkt een planteneter te zijn geweest. Qayaqgruk peregrinus was waarschijnlijk een alleseter die zowel insecten als planten at. En Kaniqsiqcosmodon polaris was vermoedelijk ook een alleseter, maar met een duidelijke voorkeur voor planten. Een verschil dat cruciaal lijkt te zijn geweest. Want in een gebied waar voedsel schaars was, zaten de dieren elkaar zo niet in de weg.
Die flexibiliteit lijkt dus hun geheime wapen te zijn geweest. “Binnen deze groep bestond enorm veel variatie”, legt Shelley uit. “Ze leefden ongelooflijk lang en kunnen ons veel leren over de bestendigheid van zoogdieren tegen massa-extincties, maar ook hoe het de knaagdieren lukte om op te boksen tegen de klimaatstress waar veel soorten vandaag de dag mee te maken hebben.”
Van Mongolië naar Alaska
De ontdekking vertelt ook iets interessants over migratie in de prehistorie. Qayaqgruk peregrinus blijkt namelijk nauw verwant aan een soort die eerder werd gevonden in Mongolië. Dat wijst erop dat de voorouders van dit dier ooit vanuit Azië naar Noord-Amerika trokken. Deze reis vond waarschijnlijk ongeveer 92 miljoen jaar geleden plaats en is een van de oudste bekende voorbeelden van zoogdieren die migreerden van het ene naar het andere continent. “Dit laat zien dat er al zo’n 90 miljoen jaar geleden een doorgangsroute bestond voor deze kleine zoogdieren, een landbrug tussen Azië en Noord-Amerika”, aldus onderzoeker Jaelyn Eberle.
Ecosystemen veranderen al honderden miljoenen jaren door migratie en aanpassing van soorten aan de wijzigende omstandigheden. “Het zet ons idee van inheemse soorten op scherp”, besluit Shelley. “De geschiedenis van de aarde laat zien dat een plek veel meer is dan een stip op de kaart. Het is een gelaagd verhaal van landschappen en bewoners door de jaren heen.”
Wil je niets van Scientias missen? Volg Scientias op Google Discover dan zie je al onze verhalen!
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


