Maar met de ontdekking van deze nieuwe soort zijn we – paradoxaal genoeg – waarschijnlijk ook direct een andere reuzenschildpaddensoort kwijtgeraakt.

Dat is te lezen in het blad Heredity. De studie leunt sterk op werk dat meer dan een eeuw geleden al door collega-onderzoekers is verzet. Die collega-onderzoekers waren in 1906 op expeditie gegaan naar het Galapagoseiland San Cristóbal en hadden daar de resten van meerdere dode reuzenschildpadden verzameld. Die resten bevonden zich in een grot op San Cristóbal; de schildpadden moesten – lang voor de expeditie het levenslicht zag – een doodssmak in die grot hebben gemaakt. Hun resten – botten en schilden – werden in 1906 verzameld en meegenomen. Maar de onderzoekers keerden in 1906 niet alleen terug met de resten van dode schildpadden; ze brachten ook een levend exemplaar mee. Aan de hand van hun vondsten beschreven de wetenschappers aan het begin van de vorige eeuw een nieuwe reuzenschildpaddensoort die ze de naam Chelonoidis chathamensis gaven. En aangenomen werd dat deze reuzenschildpadden tot op de dag van vandaag op San Cristóbal voorkomen en daar sinds een halve eeuw – onder meer dankzij een verbod op stroperij – weer ouderwets floreren.

Sprookje
Maar dat blijkt een sprookje, zo schrijven onderzoekers nu in het blad Heredity. Ze hebben zich namelijk nog eens over de in 1906 teruggevonden resten van de reuzenschildpadden gebogen. Daarbij werd ook het DNA van de schildpadden onder de loep genomen en vergeleken met dat van de reuzenschildpadden die vandaag de dag op San Cristóbal leven. En wat blijkt? De genetische verschillen tussen de reuzenschildpadden die in 1906 werden beschreven en de reuzenschildpadden die vandaag de dag op het Galapagoseiland leven, zijn enorm. Ze zijn zelfs zo groot dat de reuzenschildpadden die vandaag de dag op het eiland leven niet tot C. chathamensis gerekend kunnen worden, maar een eigen soortnaam verdienen. In andere woorden: de wetenschappers hebben een nieuwe reuzenschildpaddensoort ontdekt!

Niet gezien in 1906
Het lijkt misschien verwonderlijk dat deze schildpadden meer dan eeuw onder een verkeerde naam hebben rondgescharreld. Maar wie zich even verdiept in het onderzoek dat naar deze schildpadden is gedaan, komt al gauw tot de ontdekking waar het precies mis is gegaan. Zo reisden de onderzoekers in 1906 af naar het zuidwestelijke deel van San Cristóbal. Daar troffen ze de resten en een levend exemplaar van hun nieuwe reuzenschildpaddensoort aan. De expeditie bracht echter nooit een bezoek aan het noordoostelijke deel van het eiland waar in diezelfde tijd ook reuzenschildpadden leefden die genetisch heel anders waren dan C. chathamensis. En toen onderzoekers later toch een bezoek brachten aan het noordoostelijke deel van het eiland en daar op reuzenschildpadden stuitten, werd er vanuit gegaan dat zij tot die in 1906 ontdekte soort C. chathamensis behoorden.

Maar dat is dus niet het geval, zo tonen wetenschappers nu aan. En daarmee zijn we nu een reuzenschildpaddensoort rijker. Hoewel..niet echt. Want waar de onderzoekers in 1906 een nieuwe reuzenschildpaddensoort beschreven die op het zuidwestelijke deel van het eiland leefde, zijn op dat deel van het eiland vandaag de dag geen reuzenschildpadden meer te vinden. En met de ontdekking dat de noordoostelijke populatie tot een andere soort behoort, betekent het waarschijnlijk dat C. chathamensis inmiddels is uitgestorven, zo moeten wetenschappers nu concluderen. We krijgen er dus een levende reuzenschildpaddensoort bij, maar zijn er tegelijkertijd – terugkijkend ergens halverwege de twintigste eeuw – ook eentje kwijtgeraakt.

Nieuwe naam
Wat de onderzoekers betreft, blijft de uitgestorven soort de naam C. chathamensis dragen en krijgt de populatie in het noordoostelijke deel van het eiland een nieuwe naam toegewezen. Hoe de ‘nieuwe’ reuzenschildpaddensoort moet gaan heten, is op dit moment nog niet duidelijk.

Toekomstig onderzoek
Vervolgonderzoek moet uitwijzen in hoeverre de twee reuzenschildpaddensoorten – die ooit dus tegelijkertijd San Cristóbal moeten hebben bewoond – aan elkaar verwant zijn. De onderzoekers hopen middels dat onderzoek ook helder te krijgen hoe het eiland aan twee reuzenschildpaddensoorten is gekomen. Mogelijk delen de soorten een voorouder die lang geleden op het eiland aankwam en zich aldaar verspreidde, waarna het zuidwestelijke en noordoostelijke deel mogelijk door een stijgende zeespiegel tijdelijk van elkaar gescheiden werden en de populaties op elk van de twee resulterende deeleilanden evolueerden tot aparte soorten.

Beide soorten moeten het aan het begin van de twintigste eeuw zwaar hebben gehad. In het laaggelegen zuidwestelijke deel van het eiland kreeg C. chathamensis het aan de stok met kolonisten en walvisvaarders. Uiteindelijk verdween de populatie reuzenschildpadden daar zo halverwege de twintigste eeuw. En ook in het hogergelegen noordwestelijke deel van het eiland ging het halverwege de twintigste eeuw niet goed met de reuzenschildpadden – die in die tijd dus nog aangezien werden als C. chathamensis. Hun aantallen waren – mede door stroperij – teruggelopen tot zo’n 600 exemplaren. In de jaren zeventig werd er hard ingegrepen; de stroperij werd aan banden gelegd en geiten – die het voorzien hebben op het eten van de schildpadden – werden van het eiland gehaald. Die aanpak werkte. En inmiddels leven er op San Cristóbal weer zo’n 8000 reuzenschildpadden die stuk voor stuk – zo weten we nu – tot een ons tot voor kort onbekende soort behoren.