Ooit leefden onze voorouders als apen in de bomen. Tot ze op een gegeven moment besloten naar beneden te klimmen en verder te leven op de grond. Wanneer dat exact gebeurde en waarom is nog altijd niet helemaal duidelijk. Onderzoek naar oude fossielen biedt nieuwe aanwijzingen.
We gaan terug naar de Australopithecus, die 2 tot 4 miljoen jaar geleden in Oost- en Zuid-Afrika leefde. Deze mensachtige liep destijds al rechtop, maar had opvallend sterke armen. Dat wijst erop dat bomen nog steeds een belangrijke rol in zijn leven speelden. Bij de vroege Homo veranderde dat pas.
Dat concludeert een internationaal team dat fossielen analyseerde van zeven menselijke voorouders die tussen ongeveer 3,7 en 1,5 miljoen jaar geleden leefden. Centraal stonden de arm- en dijbeenbotten. Botten passen zich tijdens een leven aan de krachten aan die erop inwerken. Hun sterkte kan daardoor iets verraden over hoe een individu zich ooit voortbewoog.
Dieren die veel door bomen bewegen, hebben sterke armbotten. Mensen die rechtop over de grond lopen, hebben relatief sterkere dijbenen. Die verschillen leveren een opvallend inkijkje op in een cruciale fase van onze evolutie.
Australopithecus hield één been op de grond
Bij de Australopithecus troffen de wetenschappers een bijzondere combinatie aan. Zijn sterke armen wijzen erop dat hij nog veel tijd in bomen doorbracht. De benen vertellen een ander verhaal: die vertonen een mensachtiger patroon, passend bij rechtop lopen over de grond.
“Australopithecus combineerde een aapachtige kracht van de bovenste ledematen met mensachtige botten in de benen, wat erop wijst dat ze een unieke bewegingsstrategie hadden waarvoor geen moderne vergelijking bestaat”, zegt Kristian Carlson, hoogleraar aan de Keck School of Medicine.
Bij de vroege Homo ziet het plaatje er anders uit. Deze afstammelingen van de Australopithecus leefden ongeveer 1,8 tot 2,3 miljoen jaar geleden en hadden relatief sterke benen en zwakkere armen. Dit patroon lijkt veel sterker op dat van moderne mensen. “We gaan ervan uit dat de relatieve kracht van de ledematen een cruciaal kenmerk is, dat een belangrijke en fundamentele gedragsverandering tussen Australopithecus en Homo markeert”, aldus Carlson.
Leestip: Onze oudste bekende voorouder liep 7 miljoen jaar geleden waarschijnlijk al op twee benen
Miljoenen jaren oude botten
Om dit verschil zichtbaar te maken, gebruikten de onderzoekers CT-scans. Daarmee brachten ze de botten en hun structuur gedetailleerd in beeld. Ze bepaalden onder meer de dikte van de botten en schatten hoe goed ze bestand waren tegen buigen en draaien. Vervolgens vergeleken ze binnen ieder individu de bovenarm-, dij- en scheenbeenbotten.
Australopithecus had in verhouding tot zijn dijen sterke armen, vergelijkbaar met moderne mensapen. De verhouding tussen dij- en scheenbeen zag er daarentegen mensachtig uit. Zijn onderste ledematen waren dus al aangepast aan rechtop lopen, terwijl zijn bovenste ledematen nog volop van pas kwamen in bomen.
Die uitkomst is relevant voor een langlopende discussie. Sommige wetenschappers stellen dat Australopithecus het grootste deel van zijn tijd rechtop op de grond doorbracht. De nieuwe fossiele aanwijzingen maken duidelijk dat hij toch ook nog aardig wat tijd in bomen hing.
Rond twee miljoen jaar geleden
De verschillen tussen Australopithecus en de vroege Homo ondersteunen wel het idee dat rond twee miljoen jaar geleden een grote verandering in voortbeweging plaatsvond. Rond dezelfde tijd begon ook de hersenomvang van onze voorouders sterk toe te nemen.
Voor die hersengroei bestaan verschillende verklaringen, waaronder de opkomst van taal, gereedschapsgebruik en veranderingen in de zoektocht naar voedsel. De nieuwe studie werpt nog een mogelijkheid op: het afleggen van grotere afstanden over de grond kan ook hebben bijgedragen aan de toename van de hersenomvang.
Daarbij gaat het nadrukkelijk om een hypothese. “We speculeren dat de verschuiving naar meer lopen nieuwe eisen aan het lichaam en de hersenen stelde, wat kan helpen verklaren waarom deze veranderingen rond dezelfde tijd plaatsvonden”, besluit Carlson.
De fossielen schetsen daarmee een overgang, die in stappen plaatsvond. De Australopithecus combineerde rechtop lopen op de grond nog met bewegen in bomen. Bij de vroege Homo verschoof dat patroon naar relatief sterkere benen en zwakkere armen, een verhouding die meer overeenkomt met die van moderne mensen.
Wil je niets van Scientias missen? Voeg Scientias toe als voorkeursbron op Google dan zie je al onze verhalen!
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:


