De wolrevolutie begon in Engeland veel eerder dan gedacht

Oude dierenbotten onthullen hoe Engelse boeren hun veestapel aanpasten aan een steeds veranderende vraag.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!

Wie wil weten hoe de Engelse economie in de middeleeuwen veranderde kan verrassend veel leren van oude dierenbotten. Onderzoekers van onder meer de University of Leicester en de University of York analyseerden resten van runderen en schapen uit heel Engeland. Zo konden ze nauwkeurig bepalen wanneer boeren hun dieren anders gingen gebruiken. Vooral de vroege toename in wolproductie en het inzetten van runderen als trekdieren vallen daarbij op. Het onderzoek is te vinden in PLOS One.

De opkomst van het schaap

Voor de studie gebruikten de onderzoekers vondsten van 460 archeologische vindplaatsen uit de periode tussen ongeveer het jaar 400 en 1400 na Christus. Daarbij keken ze niet alleen naar hoeveel botten van runderen en schapen werden gevonden. Ze onderzochten ook de leeftijd waarop dieren stierven en, waar dat mogelijk was, het geslacht van de dieren. Eventuele resten van tandslijtage hielp om de leeftijd te bepalen. Veranderingen aan pootbotten konden bovendien aanwijzingen geven over hoe zwaar het lichamelijk werk was dat dieren uit moesten voeren.

De oudste vindplaatsen laten zien dat runderen aanvankelijk veel belangrijker waren dan schapen. Dat veranderde vanaf ongeveer het midden van de zevende eeuw: vanaf dan nam het aantal gevonden schapenbotten gestaag toe. Volgens de onderzoekers speelde de opkomst van nieuwe kloostergemeenschappen daarbij waarschijnlijk een belangrijke rol. Op verschillende kloosterterreinen zijn namelijk relatief veel schapenbotten gevonden.

Onderzoeker Matilda Holmes noemt die vroege verschuiving een van de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek. “Onze belangrijkste resultaten wijzen op een eerdere nadruk op het produceren van wol”, zegt ze. “Waarschijnlijk werd die op gang gebracht door de nieuwe kloostergemeenschappen die destijds ontstonden.” Die ontwikkeling begon dus eerder dan op basis van eerdere studies werd aangenomen.

Trekdieren

Schapen zijn bovendien niet alleen nuttig vanwege hun wol: ze kunnen ook melk en vlees leveren. Daarnaast produceren ze mest, dat destijds op akkers kon worden gebruikt. Daardoor paste het houden van schapen goed in een systeem waarin veeteelt en akkerbouw steeds sterker met elkaar verbonden raakten. Tegen het jaar 1000 begint dat om te slaan: vanaf dat jaar komen de resten van schapen en runderen ongeveer even vaak voor.

Leestip: Middeleeuwse advocaten schreven op schapenhuid om vervalsing van hun documenten tegen te gaan

Dat heeft waarschijnlijk te maken met het veranderende gebruik van runderen door de tijd heen. Vanaf ongeveer de negende eeuw werden runderen steeds vaker tot op hoge leeftijd gehouden. Die toename verraste Holmes. “De meest verrassende vondst kwam voort uit de analyse van tandslijtage. Die liet een flinke toename zien van volwassen runderen tussen de tiende en twaalfde eeuw”, vertelt ze. Volgens haar wijst dat op een grote verandering in de manier waarop boeren werkten: runderen werden toen vaker gebruikt als trekdieren, wat betekent dat ze zware ploegen voort moesten trekken.

Veranderende markt

Die toename nam later weer af. Vanaf de twaalfde en vooral de dertiende eeuw werden runderen vaker jonger geslacht om aan een toenemende vraag in vlees te kunnen voldoen. Tegelijkertijd werden paarden belangrijker voor het uitvoeren van zwaar werk op het land. Daardoor hoefden runderen minder vaak als trekdier te worden ingezet.

Holmes denkt dat die verandering ook gevolgen had voor de melkindustrie. “Waarschijnlijk werden paarden uiteindelijk steeds vaker voor trekwerk gebruikt. Daardoor konden runderen meer voor het produceren van melk gehouden worden en konden ze eerder geslacht worden.”

Andere manier van dateren

De onderzoekers konden de veranderingen zien dankzij een andere manier van dateren. Archeologische vondsten worden vaak ingedeeld in brede perioden, zoals ‘laatmiddeleeuws’. Maar zo’n indeling kan hele geleidelijke veranderingen ook verbergen. In deze studie gebruikten de onderzoekers daarom een methode waarbij vondsten worden verdeeld over de jaren waarin ze waarschijnlijk kunnen vallen. Zo ontstaat een meer doorlopende tijdlijn.

Volgens Holmes is dat een belangrijk voordeel: de methode maakte het mogelijk om ontwikkelingen te volgen zonder ze eerst in grote historische tijdvakken te stoppen. Daardoor werd bijvoorbeeld duidelijker dat de groei van de schapenhouderij al in de zevende eeuw begon en dat het gebruik van trekdieren vooral tussen de tiende en twaalfde eeuw sterk toenam.

De studie verandert daarmee niet volledig het bestaande beeld van de middeleeuwse landbouw in Engeland. Veel grote trends waren immers al langer bekend. Wel laat het onderzoek scherper zien wanneer die veranderingen begonnen. De oude dierenbotten blijken op die manier niet alleen iets te vertellen over wat mensen aten, maar ook over de manier waarop boeren hun veestapel vormgaven.

We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Waarom het invasieve manenschaap zo gevaarlijk is voor dikhoornschapen en Wie geitenwollen sokken draagt, is niet lief voor het milieu . Of lees dit artikel: DNA van 1600 jaar oud gemummificeerd schaap in kaart gebracht .

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

Bronmateriaal

"Meat, milk, wool and grain: The animal economy of medieval England (CE 400 to 1400)" - PLOS One
Afbeelding bovenaan dit artikel: Matilda Holmes, CC-BY 4.0

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd