NASA laat jou zelden de echte foto’s zien. Veel van de geweldige foto’s die je ziet hebben gewoon nepkleuren gekregen. Diederik legt uit hoe dat zit:
The Pillars of Creation, oftewel Messier 16. Een van de mooiste foto’s die NASA ooit maakte. Eerst met de Hubble en later opnieuw met de James Webb-ruimtetelescoop. Maar als je zelf aan de slag gaat met een telescoop, een camera en een paar uur belichtingstijd, dan kun je M16 ook gewoon fotograferen. En dan ziet het er heel anders uit. Misschien wel een beetje teleurstellend. Wat is er gebeurd? De kleuren in M16 komen van zwavel, waterstof en zuurstof. Die atomen worden aangeslagen door het licht van sterren en zenden daarna licht uit op heel specifieke golflengten. Geïoniseerde zwavel straalt uit rond 673 nanometer, waterstof rond 656 nanometer en geïoniseerde zuurstof rond 501 nanometer.
Zoals je ziet is het dus vooral veel rood gedoe. Daarom maken wetenschappers van zwavel rood, van waterstof groen en van zuurstof blauw. Zo krijg je niet alleen veel mooiere en veel gedetailleerdere foto’s, maar zie je ook meteen waar welk materiaal zit. En de James Webb doet het eigenlijk nog veel gekker. Die kijkt bijna alleen maar naar infrarood licht. Eigenlijk zou je dus een zwarte foto moeten hebben, want onze ogen kunnen infrarood helemaal niet zien. Maar ja, dat is ook een beetje zonde van een ruimtetelescoop van 10 miljard.
Daarom krijgt het kortste infrarood vaak een paarse of blauwe kleur en het langste infrarood juist rood. Kleuren zijn dus een stuk relatief dan je denkt. NASA en ESA kunnen met veel meer ‘kleuren’ kijken dan waar onze ogen ooit voor geëvolueerd zijn.


