De mens was niet altijd slecht voor de natuur: tot voor kort zorgden we zelfs voor verbetering ervan

We kappen de regenwouden, vissen de oceanen leeg en vervuilen de lucht. Wat de natuur betreft is de mens een olifant in de porseleinkast. Maar dat is lang niet altijd zo geweest. Tot voor kort droegen mensen bij aan een toename van de plantendiversiteit.

Onderzoekers keken naar afzettingen in drie Zwitserse meren. Ze namen sedimentkernen en analyseerden het materiaal dat zich gedurende duizenden jaren in de sedimentlagen had opgehoopt. Daardoor konden ze veranderingen in plantendiversiteit en agrarisch landgebruik in de gebieden rond de meren reconstrueren.

“Dit is een uitzonderlijk uitgebreide en nauwkeurig gedateerde dataset”, zegt Oliver Heiri van de Universiteit van Basel. “Hiermee kunnen we veranderingen in de plantendiversiteit rond de meren gedurende de afgelopen 7000 jaar reconstrueren met een tijdsresolutie die vergelijkbaar is met langlopende ecosysteemstudies en dat voor een periode die ver voor het ontstaan van de moderne ecologie ligt.”

Landbouw zorgt voor variatie

Sinds het Neolithicum nam de plantendiversiteit toe naarmate de landbouwactiviteiten zich uitbreidden. “Je zou kunnen denken dat menselijke invloed per definitie slecht is voor de plantendiversiteit, omdat we dat tegenwoordig zien”, zegt onderzoeker Fabian Rey. “Maar de landbouw van toen maakte het landschap juist gevarieerder.” Vóór de eerste landbouwactiviteit was het Zwitserse Plateau grotendeels bedekt met bos en vormde het daardoor een relatief uniform ecosysteem.

“Naarmate de landbouw zich uitbreidde, ontstond geleidelijk een mozaïek van verschillende leefgebieden”, legt Rey uit. Akkers, weilanden, heggen en later ook hoogstamboomgaarden wisselden elkaar af binnen relatief kleine gebieden. Daardoor kwamen er uiteenlopende leefomstandigheden voor planten die aan die specifieke omgevingen waren aangepast.

Een geprepareerd neolithisch pollenmonster uit de sedimenten van de Hüttwilersee. De pollenkorrels zijn rood gekleurd, de houtskooldeeltjes, die wijzen op vuur, zijn zwart. Foto: Geoecology research group, University of Basel

Maar er waren ook terugkerende periodes waarin de plantendiversiteit sterk afnam. Dat gebeurde bijvoorbeeld tijdens de Volksverhuizing na de val van het Romeinse Rijk of tijdens de pestepidemieën in de Middeleeuwen. “In periodes waarin mensen minder goed in staat waren de landbouw voort te zetten, kreeg het bos opnieuw de overhand en nam de plantendiversiteit op landschapsniveau af”, verklaart Heiri.

Tijden van crisis leidden tot afname

Meer landbouw betekende lange tijd dus ook meer biodiversiteit. Tot ongeveer de Tweede Wereldoorlog. In de afgelopen tachtig jaar is de plantendiversiteit juist sterk afgenomen. Volgens het onderzoeksteam is dat het gevolg van de intensivering van de landbouw sinds die tijd.

In plaats van een kleinschalig en afwisselend mozaïek van leefgebieden ontstonden grote, uniforme percelen die gemakkelijker met zware landbouwmachines konden worden bewerkt. Ook het toenemende gebruik van kunstmest en pesticiden zorgde ervoor dat veel specifieke plantensoorten in aantal afnamen en uiteindelijk verdwenen.

Leestip: Veel erger dan gedacht: ontbossing voor veeteelt bedreigt biodiversiteit op grote schaal

“Onze gegevens laten echter ook zien dat de plantendiversiteit zich na eerdere afnames herstelde als mensen terugkeerden naar landbouwpraktijken met een gevarieerd landschap”, zegt Rey. Dat betekent dat ook de negatieve ontwikkeling van de afgelopen tachtig jaar kan worden omgebogen, maar dan moeten we wel anders met landbouwgrond omgaan.

Zo ging het onderzoek in zijn werk
Voor het verzamelen van de gegevens nam Fabian Rey uit elke centimeter van de sedimentkernen stuifmeelmonsters. Die werden chemisch behandeld, geprepareerd en vervolgens onder een microscoop geanalyseerd. Van elk monster identificeerde hij 500 stuifmeelkorrels, waardoor hij de diversiteit van de planten rond het meer kon vaststellen.
De intensiteit van het agrarische landgebruik in elke periode werd bepaald aan de hand van de aanwezigheid van specifieke soorten stuifmeel in de monsters, waaronder dat van cultuurgewassen en van plantensoorten die kenmerkend zijn voor landbouwgebieden, in combinatie met een vergelijking met archeologische en historische gegevens.
De wetenschappers dateerden de sedimentlagen met behulp van de koolstof-14-methode (¹⁴C), een techniek om de ouderdom van organisch materiaal vast te stellen. De sedimentkernen gaan tot ongeveer 7000 jaar terug, tot in het Neolithicum.

Wil je niets van Scientias missen? Volg Scientias op Google Discover dan zie je al onze verhalen!

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

Bronmateriaal

"Decadal-scale pollen records link land use and plant diversity change across European lowlands over seven millennia" - Nature Communications
Afbeelding bovenaan dit artikel: Thomas Stadler, Zurich

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd