Economen hebben een nieuwe manier ontwikkeld om de inkomensongelijkheid te meten. En volgens deze nieuwe maatstaf doet ons kikkerlandje het bijzonder goed.

Vanaf de jaren tachtig leidde de toenemende inkomensongelijkheid tot hevige debatten. De roep om een betere herverdeling wordt echter vaak weerlegd door economen, die beweren dat een zekere mate van ongelijkheid nodig is om mensen ertoe aan te zetten harder te werken. Bovendien zou dit het natuurlijke resultaat van een markteconomie weerspiegelen. Onderzoekers in een nieuwe studie betogen echter dat de huidige economische maatstaven om inkomensongelijkheid te meten, ontoereikend zijn. En dus stellen ze een nieuwe manier voor die beter bepaalt wanneer ongelijkheid nou eerlijk, of juist oneerlijk is.

(On)eerlijke ongelijkheid
Over het algemeen wordt er onderscheid gemaakt tussen eerlijke (gerechtvaardigde) en oneerlijke inkomensongelijkheid. Ongelijkheid zou oneerlijk zijn als deze geworteld is in factoren waarover iemand geen invloed op heeft, de ‘omstandigheid’. “Denk hierbij aan ras, geslacht en ouderlijke rijkdom,” somt onderzoeker Andreas Peichl in gesprek met Scientias.nl op. Mensen zijn meer bereid om inkomensverschillen te accepteren als ze niet het gevolg zijn van deze externe omstandigheden, maar van ‘inspanningen’. “Dit zijn factoren waar een persoon wel invloed op heeft en vervolgens het inkomen beïnvloeden,” zegt Peichl. Het is bijvoorbeeld gerechtvaardigd dat mensen die lange dagen maken meer verdienen dan degenen die bijvoorbeeld slechts af en toe een dagje werken. Kortom, “wanneer variatie in inkomen kan worden toegeschreven aan de omstandigheden, noemen we dit ‘ongelijkheid van kansen’ of ‘oneerlijke ongelijkheid’,” aldus Peichl. “Gelijke kansen – of een gelijk speelveld – kan alleen worden bereikt als de omstandigheden bij het genereren van inkomsten er dus niet toe doen.”

Wanneer is ongelijkheid oneerlijk?
Toch is het verschil tussen eerlijke en oneerlijke ongelijkheid nog niet zo gemakkelijk in kaart te brengen. “De scheiding tussen omstandigheid en inspanning bij het afbakenen van eerlijke en oneerlijke inkomensverdeling lijkt misschien heel duidelijk,” zegt Peichl. “Maar het is niet de enige morele factor die een rol speelt. Stel je eens voor dat je soep uitdeelt aan armen. Terwijl ze één voor één naar je toekomen en je de soep uitreikt, krijg je te horen dat de persoon voor je een ‘goede start’ in zijn leven heeft gehad, maar het vervolgens ‘verknalde’ vanwege zijn eigen keuzes. Zou je dan je hand terugtrekken en de soep niet geven? Zo niet, dan snijdt duidelijk een andere morele factor het argument van gelijke kansen door: namelijk die van de doorbreking van armoede.”

Twee idealen
Volgens de onderzoekers zou de normverdeling van inkomen beide fundamentele morele factoren moeten omvatten. “Enerzijds moeten personen verantwoordelijk gehouden worden voor beslissingen die binnen hun macht liggen,” vertelt Peichl. “Aan de andere kant moet er een grens zijn voor extreme gevallen.” En dus stelt hij een nieuwe maatstaf voor om oneerlijke ongelijkheid te meten – één die de twee idealen van economische gelijkheid verzoent: gelijkheid van kansen én vrij van armoede. De studie is hiermee de eerste die de algemene aanvaarde rechtvaardigheidsbeginselen combineert in een gezamenlijke maatstaf voor ongelijkheid.

Inkomensongelijkheid
Wat de nieuwe maatstaf laat zien, is dat inkomensongelijkheid op zich niet per se slecht is. “In plaats daarvan stellen we voor om de oorzaken van ongelijkheid te analyseren en op te splitsen in eerlijke en oneerlijke componenten,” legt Peichl uit. “In dit werk beschouwen we ongelijkheid als oneerlijk als mensen ongelijke kansen of onvoldoende middelen hebben om de eindjes aan elkaar te knopen.”

Nederland minst oneerlijke land
In de studie besloten de onderzoekers de oneerlijke inkomensongelijkheid in verschillende landen volgens de nieuwe maatstaf te meten. “We analyseerden de oneerlijke ongelijkheid in 31 Europese landen,” vertelt Peichl. “We kwamen daarbij tot de conclusie dat 17,6 procent van de totale ongelijkheid oneerlijk is. Dit betekent dat de ongelijkheid kan worden verklaard door schendingen van gelijke kansen en de doorbreking van armoede.” Nederland doet het overigens bijzonder goed. “Volgens onze maatstaf is het inkomen het eerlijkst verdeeld in Nederland (7,0 procent), Finland (9,3 procent) en Noorwegen (12,5 procent). Daarmee is Nederland dus volgens ons onderzoek het minst oneerlijke land.”

Oneerlijke ongelijkheid komt het meest voor in Litouwen, Italië en Roemenië, met waarden van rond de 30 procent. Volgens de onderzoekers is de belangrijkste oorzaak van inkomensongelijkheid in Europa de impact van de Europese staatsschuldencrisis van 2010.

Verenigde Staten
Ook de Verenigde Staten behoort tot één van de meest ongelijke plaatsen in de westerse wereld. Alleen Griekenland scoort hoger. Bovendien blijkt uit de resultaten dat zowel de totale ongelijkheid als de oneerlijke ongelijkheid in de Verenigde Staten tussen 1980 en 2014 meer dan verdubbeld is. Het aandeel oneerlijke ongelijkheid steeg van 15,2 procent naar 18,9 procent. Deze trend werd vooral gedreven door toenemende ongelijkheid tussen groepen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. De toenemende oneerlijkheid in de Verenigde Staten wordt dan ook vooral veroorzaakt door de schending van gelijke kansen.

Gelijk speelveld
Volgens Peichl is het heel belangrijk dat we er alles aan doen om de oneerlijke inkomensongelijkheid aan te pakken. “Alle oneerlijke ongelijkheid is moreel verwerpelijk en zou tot nul moeten worden teruggebracht,” zegt hij. Hoe we dat moeten doen? “De beste manier om het speelveld gelijk te maken, is door gratis openbaar onderwijs, betere successierechten en progressieve inkomstenbelastingen,” aldus Peichl.

De onderzoekers hopen dat hun nieuwe maatstaf informatief kan zijn voor het beleidsdebat over ongelijkheid. “Elke samenleving kent inkomensongelijkheid,” zegt Peichl. “Maar hoeveel hiervan is een legitiem doelwit voor beleid? Het antwoord hangt duidelijk af van de normatieve principes die ten grondslag liggen aan onze noties van een ethisch aanvaardbare inkomensverdeling. We hopen dan ook dat onze nieuwe maatstaf richting geeft aan het beleidsdebat over inkomensongelijkheid en herverdeling.”