De ‘Amerikaanse cheeta’ blijkt helemaal geen cheeta te zijn geweest

Lange tijd waren onderzoekers ervan overtuigd dat de ‘Amerikaanse cheeta’ een cheeta was. Nu blijkt dat toch niet zo te zijn.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!

Geen wonder dat Miracinonyx trumani lange tijd bekendstond als de ‘Amerikaanse cheeta’: het dier had een slank lichaam, lange poten en leefde op de open vlaktes van Noord-Amerika. Maar die bijnaam blijkt behoorlijk misleidend te zijn. Een nieuw onderzoek laat namelijk zien dat het uitgestorven roofdier veel nauwer verwant was aan de poema. En sommige populaties hadden bovendien een verrassend menu: in het noorden van Canada aten ze waarschijnlijk vooral vis. Het onderzoek is te vinden in Current Biology.

Stamboom

Onderzoekers van onder meer de University of California, Santa Cruz onderzochten fossielen uit Wyoming en het Canadese Yukon. Uit die botten haalden ze oud DNA. Daarmee konden ze de plek van M. trumani in de stamboom van de katachtigen veel nauwkeuriger bepalen dan voorheen. De uitkomst was duidelijk: het dier stond het dichtst bij de moderne poema. De twee lijnen gingen ongeveer 2,6 miljoen jaar geleden uit elkaar.

Dat is opvallend, want qua uiterlijk leek M. trumani juist behoorlijk op een cheeta. Het dier had een slanke bouw en lange voorpoten, en ook de grote neusholte deed denken aan dieren die goed zijn aangepast aan snel rennen. Zulke overeenkomsten zorgden er tientallen jaren voor dat onderzoekers het dier zagen als een Noord-Amerikaanse versie van de Afrikaanse cheeta.

Maar uiterlijk kan bedriegen. In plaats daarvan lijkt hier sprake te zijn van een bijzonder voorbeeld van convergente evolutie. Daarbij ontwikkelen soorten die niet nauw aan elkaar verwant zijn toch vergelijkbare eigenschappen, bijvoorbeeld omdat ze in een soortgelijke omgeving leven.

“Als we een prehistorische soort vinden vergelijken we die soms onbewust met iets wat we al kennen,” zegt hoofdonderzoeker Molly Cassatt-Johnstone. “Dit onderzoek laat zien hoe gevaarlijk dat kan zijn en hoezeer dat ons beeld van uitgestorven dieren kan beperken.”

Enorm verspreidingsgebied

Het DNA leverde nog een andere verrassing op: drie fossielen uit Yukon, die eerder niet als M. trumani waren herkend, bleken wel degelijk tot deze soort te behoren. Daarmee schuift de bovengrens van het leefgebied een heel stuk op naar het noorden: M. trumani leefde blijkbaar niet alleen in milde graslanden, maar kwam ook voor in het Arctische noorden van Canada.

Dat enorme verspreidingsgebied bracht de onderzoekers bij een nieuwe vraag: wat aten de dieren die zo ver in het noorden leefden? Gaffelbokken zijn snelle hoefdieren die vaak in verband worden gebracht met de ‘Amerikaanse cheeta’. Alleen: die dieren kwamen vooral op mildere graslanden voor, en leefden dus niet in het ijzige Yukon.

Leestip: Duizenden dode pinguïns in Patagonië: poema’s doden massaal pinguïns die ze niet eens opeten

Daarom onderzochten de wetenschappers de verhoudingen van verschillende vormen van koolstof en stikstof in de fossielen. Zulke isotopen geven informatie over wat een dier tijdens zijn leven at en welke plek het in de voedselketen innam.

De isotopen van de dieren uit Wyoming pasten bij het beeld van een roofdier dat vooral landdieren at, waaronder dus gaffelbokken. Bij de exemplaren uit Yukon zagen de onderzoekers echter iets heel anders: hun chemische signatuur wees op een dieet dat sterk leunde op voedsel uit het water. De onderzoekers denken daarbij vooral aan trekvissen, zoals zalm.

Dat resultaat is extra opvallend omdat de onderzochte dieren uit Yukon op verschillende plaatsen werden gevonden en niet allemaal in dezelfde periode leefden. Toch leken hun voedingspatronen sterk op elkaar. Dat wijst erop dat vissen mogelijk al langer een belangrijk onderdeel van hun dieet vormden. Welke methode ze gebruikten voor het vangen van die vissen is echter nog niet bekend.

Zoet en zuur

De onderzoekers deden ook een hele vreemde ontdekking. Het was al eerder bekend dat katachtigen vaak geen zoete smaken kunnen proeven. In het DNA van deze katten stond echter ook het gen uit dat verantwoordelijk is voor de productie van smaakpapillen die een zure smaak waar kunnen nemen. Dat lijkt te suggereren dat de katten dus waarschijnlijk geen zure smaken konden proeven.

Waarom dat zo is, is nog onbekend. Echter komt dat soms voor bij diersoorten die een heel gespecialiseerd dieet hebben. De onderzoekers denken daarom dat het dieet van de soort mogelijk een rol speelde in het ontwikkelen van die eigenschap.

Cassatt-Johnstone laat afsluitend weten: “de fossielen laten zien dat de dieren veel flexibeler waren dan we voorheen dachten. Die flexibiliteit heeft ze waarschijnlijk geholpen om in zoveel verschillende omgevingen te overleven.”

We schreven vaker over dit onderwerp, lees bijvoorbeeld ook Schattige cheetah-robot is de eerste in zijn soort die een heuse backflip kan en Eindelijk ook een beetje goed nieuws: Chinese luipaarden krabbelen weer op . Of lees dit artikel: Poema’s blijken mensen veel vaker actief te mijden dan gedacht .

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

Bronmateriaal

"Range and diet diversity in the Pleistocene American "cheetah," Miracinonyx trumani" - Current Biology
Afbeelding bovenaan dit artikel: By Velizar Simeonovski

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd