Het laat volgens wetenschappers zien dat er enorme vooruitgang is geboekt in de behandeling van COVID-19.

Wanneer gezonde mensen een positieve coronatest in handen houden, is het vaak een kwestie van dagen of hooguit enkele weken voor hun immuunsysteem het coronavirus heeft opgeruimd. Maar wanneer het immuunsysteem minder goed functioneert – bijvoorbeeld omdat iemand chemotherapie ondergaat, het hiv-virus bij zich draagt of vanwege een transplantatie medicatie gebruikt die het immuunsysteem onderdrukt – kan het een stuk lastiger worden om het coronavirus na infectie uit het lichaam te verbannen.

411 dagen positief
Een 59-jarige man uit Groot-Brittannië weet daar alles van. Hij testte in december 2020 positief en bleef dat vervolgens doen tot in 2022. Zijn immuunsysteem slaagde er – ondanks dat hij in de tussentijd ook nog eens drie coronavaccinaties kreeg toegediend – maar niet in om het virus op te ruimen. Het is te herleiden naar een verzwakt immuunsysteem dat weer voortvloeit uit een niertransplantatie die hij eerder onderging. Daardoor zat hij dus opgezadeld met een een zogenoemde ‘persistente corona-infectie’ (zie kader). Het is wetenschappers eerder dit jaar echter gelukt om de man te genezen en daarmee is – na 411 dagen – een einde gekomen aan zijn corona-infectie.

Om meer grip te krijgen op de persistente infectie van de man – en deze uiteindelijk hopelijk ook te kunnen beëindigen – maakten de wetenschappers gebruik van de zogenoemde nanopore sequencing-technology. “Dit is een methode om de genetische code van het virus te analyseren,” legt onderzoeker Luke Blagdon Snell aan Scientias.nl uit. “Deze stelt ons in staat om vast te stellen met welke variant een individu geïnfecteerd is.” Ook kunnen zo mutaties worden geïdentificeerd die ervoor zorgen dat behandelingen niet aanslaan en het virus zich blijft repliceren. En dat kan dan weer nieuwe aanknopingspunten bieden voor alternatieve behandelmethoden.

Wat is een persistente corona-infectie?
“Tijdens gebruikelijke infecties wordt het virus binnen 1 tot 2 weken opgeruimd,” stelt Snell. Maar in het geval van een persistente infectie slaagt het immuunsysteem er dus niet in om definitief met het virus af te rekenen. “En er vindt voortdurend nog virale replicatie plaats.” In andere woorden: het virus blijft zich vermenigvuldigen. Dat wil echter niet zeggen dat mensen met een persistente infectie ook persistent ziek zijn. “Sommige patiënten met een persistente infectie zijn symptomatisch, terwijl anderen geen symptomen vertonen. In onze ervaring vertoont ongeveer de helft van de individuen met een persistente infectie geen symptomen.” In hoeverre mensen met een persistente infectie in staat zijn het virus op anderen over te dragen, is onduidelijk.

Vroege variant
In het geval van de 59-jarige man bleek de infectie veroorzaakt te worden door een heel vroege coronavariant – een variatie op de originele Wuhan-variant. De variant die de man bij zich droeg, was gedurende 2020 enige tijd de dominante variant in Groot-Brittannië, maar is inmiddels alweer geruime tijd van het wereldtoneel verdreven door latere varianten. Met de wetenschap dat de man een vroege variant van het coronavirus onder de leden had, grepen de onderzoekers terug op een mix van monoklonale antistoffen die eerder in de pandemie met succes waren ingezet om deze prille variant te bestrijden, maar inmiddels nauwelijks meer worden gebruikt, omdat de huidige varianten er niet van onder de indruk zijn. “Deze neutraliserende antistoffen binden zich aan het virus, waardoor het niet meer in staat is om cellen te infecteren,” legt Snell uit. “Dat helpt het lichaam om het virus – zodra het gebonden en geneutraliseerd is – op te ruimen.” En ook de 59-jarige man slaagde er met behulp van deze antistoffen – na meer dan een jaar – in om zich eindelijk van het virus te ontdoen.

Meer gevallen
Het is een opvallend verhaal. Maar het staat niet op zichzelf. En de 59-jarige man gaat zelfs niet de boeken in als de patiënt met de langste corona-infectie ooit; eerder dit jaar maakte dezelfde onderzoeksgroep bekend dat een patiënt na een persistente infectie die 505 dagen aanhield, was overleden. “Persistente infectie is zeldzaam,” benadrukt Snell. “We zien het enkel in mensen met een verzwakt immuunsysteem, bijvoorbeeld door chemotherapie. Maar omdat er binnen de populatie veel mensen met een verzwakt immuunsysteem zijn en de infectieniveaus hoog liggen, ziet elk groot ziekenhuis elke paar maanden wel enkele gevallen van persistente infectie voorbijkomen.”

Nieuwere varianten
Waar in het geval van de 59-jarige man monoklonale antistoffen soelaas boden, ligt dat voor persistente infecties die hun oorsprong een stuk recenter vinden, wat lastiger. “Nieuwere varianten (bijvoorbeeld de Omikron subvariant BQ.1.1) zijn resistent voor alle neutraliserende antistoftherapieën die in Groot-Brittannië, Europa en de Verenigde Staten voorhanden zijn,” vertelt Snell. “Gelukkig hebben we nu ook antivirale middelen die de virale replicatie direct stoppen.” Maar ook die werken niet altijd bij een persistente infectie, zo stelt Snell. Als voorbeeld haalt hij een 60-jarige man aan die in het verleden met bloedkanker was gediagnosticeerd en in april 2022 voor het eerst positief testte en dat in de maanden erna bleef doen. In die maanden werd hij ook tot vier keer toe met coronaklachten opgenomen. De eerste twee keren werden antivirale middelen ingezet, zonder succes. De derde keer belandde hij op de IC, waar hij een hoge dosis antistoffen kreeg toegediend, tezamen met een antiviraal middel en medicatie om de ontstekingen in zijn longen te onderdrukken. De vierde keer was zijn toestand zo ernstig dat artsen niet dachten dat hij het ging halen. Daarop werd besloten nog één keer te proberen de man twee antivirale middelen toe te dienen, in een combinatie die nog niet eerder was gebruikt. Tien dagen later testte hij voor het eerst negatief en enkele weken later kon hij het ziekenhuis verlaten. “Hopelijk is dit (de toepassing van twee soorten antivirale middelen, red.) een manier waarop we persistente infecties ook in de toekomst – in de afwezigheid van antistoftherapieën – kunnen blijven behandelen,” stelt Snell. “Maar meer onderzoek is nodig.”

Ondertussen blijven persistente infecties volgens Snell “een fascinerend probleem”. Soms kan dat probleem – zoals in het geval van de 59-jarige en 60-jarige patiënten – met een combinatie van behandelingen toch worden opgelost. Maar soms lukt dat ook niet. Het geeft wel aan dat er nog genoeg te ontdekken valt als het gaat om het coronavirus en de wijze waarop het in het menselijk lichaam huishoudt. Maar als de gevallen die Snell en collega’s recent beschreven en soms zelfs genezen hebben ons iets leren, dan is het toch wel dat onderzoekers in korte tijd al ontzettend veel wijzen zijn geworden over COVID-19. “We zijn in een veel betere positie dan aan het begin van de pandemie, omdat we nu over veel meer behandelingen beschikken (…) en deze gevallen illustreren hoeveel vooruitgang er in de behandeling van COVID-19 is geboekt.”