Brakende zeemonsters: plesiosauriërs zwommen naar de kust om over te geven

Plesiosauriërs gelden als de ongenaakbare heersers van de Jurazee, die 200 tot 145 miljoen jaar geleden grote delen van West-Europa inclusief Nederland bedekte. Waar ze wél last van hadden, was een vervelend opspelende maag, waar geen prehistorisch Rennie-pilletje tegenop kon.

Nieuw onderzoek van Cambridge University laat zien dat de langnekkige zeereptielen naar de riviermonding zwommen om schelpen en ander onverteerbaar afval uit te braken. Het onsmakelijke gedrag lijkt verrassend veel op wat hedendaagse pelsrobben en zeekrokodillen doen.

Keihard dieet

We weten uit eerdere studies al dat plesiosauriërs hun kop waarschijnlijk naar beneden bogen om schelpdieren van de zeebodem te verzamelen. Ze waren niet in staat de schelpen met hun tanden te vermalen, dus lieten ze hun maag het zware werk doen. Uiteindelijk bleef onverteerbaar materiaal over, dat werd samengeperst tot balletjes en uitgespuugd, zoals uilen dat vandaag de dag nog doen met braakballen. Paleontoloog Dirk Knaust trof fossiele braakballen aan in wat ooit een riviermonding was, zo’n 50 kilometer voor de Noorse kust.

De schelpdieren die Knaust in de braaksels vond, hadden een stabiel zoutgehalte nodig, zoals in de open oceaan. Maar de vondst lag in een riviermonding waar zoet rivierwater voortdurend voor wisselende zoutconcentraties zorgde, een omgeving waarin deze gevoelige diertjes onmogelijk konden overleven.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!

Regurgitalieten

Knaust analyseerde meer dan twintig zogenaamde regurgitalieten. Dit zijn klonten gefossiliseerd braaksel ter grootte van een walnoot tot een mango. Hij concludeerde dat plesiosauriërs de schelpdieren dieper op zee van de bodem moeten hebben gegeten, om vervolgens naar de kust te zwemmen en daar de harde restjes uit te spugen. “Er is de afgelopen tien jaar veel onderzoek gedaan naar gefossiliseerd braaksel, maar dat richtte zich vooral op gewervelde dieren die andere gewervelde dieren aten”, vertelt Knaust. “Dit is de eerste keer dat we braaksel van een plesiosauriër met de schelpdieren erin, hebben weten te identificeren en dat vertelt ons enorm veel.”

Knaust analyseerde in dertig jaar als specialist in fossiele sporen duizenden meters boorkernmateriaal uit Noordzeeboringen van zijn werkgever Equinor. De fossielen kwamen vooral naar boven bij de aanleg van een CO2-opslaglocatie vlakbij het Troll-gasveld, ongeveer 65 kilometer ten westen van Bergen, Noorwegen. “Plesiosauriërs kwamen waarschijnlijk dicht bij de kust om uit te rusten of te slapen na de jacht. Vermoedelijk braakten ze dan ook”, legt Knaust uit. “We zien tegenwoordig iets vergelijkbaars bij pelsrobben en zeekrokodillen, alleen gaan die wel aan land. Plesiosauriërs bleven door hun gewicht en lichaamsvorm waarschijnlijk onder water.”

Leestip: Toen de dinosaurussen werden weggevaagd, wisten veel planten wel te overleven. Nu is duidelijk waarom

Coprolieten

“Dit braaksel is deels bewaard gebleven doordat het zo compact was en bedekt met slijm”, weet Knaust. “De meeste balletjes zouden anders volledig zijn kapotgeslagen door golven en getijden. Sommige klonten zijn echter snel bedekt door sediment dat via de rivieren binnenkwam. Andere belandden in holen van kreeftachtigen op de zeebodem, waar ze gedeeltelijk bewaard bleven en fossiliseerden.” Vlakbij het fossiele braaksel stuitte Knaust op een bot en coprolieten (versteende drollen). “Dat was best spectaculair”, zegt Knaust. “In eerste instantie dacht ik aan een dinosaurusbot, maar de CT-scan liet zien dat het van een ichthyosauriër moest zijn. Dus dacht ik dat het braaksel en de uitwerpselen misschien ook van een ichthyosauriër kwamen, maar zo simpel was het niet. Er waren nog veel meer zeedieren op de verdachtenlijst en de samenstelling van hun braaksel verschilt sterk.”

In het braaksel vond hij schelpen, wormkokers, zeelelies en belemnieten. Dit alles wijst op een dier dat gespecialiseerd is in hardschalige prooien op de zeebodem. Koppotigen en vissen vielen af qua grootte en samenstelling. Haaien en krokodillen jagen op vis in plaats van schelpdieren. “De plesiosauriër komt qua grootte en dieet het meest overeen met de producent van dit braaksel”, concludeert Knaust.

Fascinerend dier

Plesiosauriërs, die onder het geslacht Cyryptoclidus vallen, waren vier tot acht meter lang en leefden van het Midden-Jura tot het Vroeg-Krijt, zo’n 174 tot 100,5 miljoen jaar geleden. Knaust denkt dat plesiosauriërs ook elders langs de kust over hun nek gingen. Het zou goed kunnen zijn dat er ook regurgitalieten te vinden zijn rond Groot-Brittannië, waar de kustlijn destijds tot dezelfde smalle zee behoorde als de onderzochte Noorse locatie.

“De plesiosauriër is zo’n fascinerend dier”, besluit Knaust. “Deze vondsten voegen weer een stukje toe aan ons begrip van hun vaardigheden en gedrag. En dit is nog maar het begin. Er valt nog zoveel te leren door uit te pluizen wat uitgestorven dieren na het eten weer naar buiten slingerden.”

Wil je niets van Scientias missen? Voeg Scientias toe als voorkeursbron op Google dan zie je al onze verhalen!

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

Bronmateriaal

"The fate of supposed plesiosaur vomit from Jurassic delta deposits offshore Norway" - Geological Magazine
Afbeelding bovenaan dit artikel: Lente Artemieff

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd