Het is je vast niet opgevallen maar bijen lijken anders te zoemen dan voorheen. Dat heeft te maken met de opwarming van de aarde en de blootstelling aan zware metalen, aldus Zweedse onderzoekers.
De frequentie en toonhoogte van het zoemen gaan omlaag, concluderen de wetenschappers van de Universiteit van Uppsala. De veranderingen zitten hem niet alleen in het geluid van de klapperende vleugeltjes, maar ook in de trillingen van de vliegspieren, die bijen gebruiken om te communiceren, zich te verdedigen en voor een bijzondere bestuivingstechniek, die je kunt omschrijven als zoembestuiving.
“Mensen weten vaak niet dat de vliegspieren van bijen niet alleen voor het vliegen worden gebruikt”, vertelt onderzoeker dr. Charlie Woodrow uit Uppsala. “Deze spieren produceren ook vibraties die belangrijk zijn voor verschillende vormen van gedrag.”
Trillen voor pollen
Zo worden ze dus gebruikt voor een specifieke manier van bestuiven waarbij een bij zich om de meeldraden van een bloem krult en zijn vliegspieren tot wel 400 keer per seconde aanspant om pollen los te trillen. Dit is essentieel voor de voortplanting van bepaalde planten.
“We willen begrijpen hoe veranderingen in deze vibraties het loslaten van de pollen beïnvloeden en daarmee de plantvoortplanting en het gedrag van bestuivers”, aldus Woodrow. Dit inspireerde het team om te onderzoeken hoe dit niet aan vliegen gerelateerde gezoem binnen en tussen bijensoorten varieert en welke factoren van invloed zijn.
Metingen met accelerometers
Voor hun onderzoek gebruikten Woodrow en collega’s buffelhommelkolonies, een veelvoorkomende Europese soort. Met behulp van kleine accelerometers konden ze nauwkeurig meten hoe vaak de bijen hun spieren aanspannen. Het gaat hierbij om de frequentie van het zoemen, die samenhangt met de toonhoogte die wij horen.
“De meetapparatuur is heel geschikt voor gebruik in het veld”, vertelt Woodrow. “We houden het tegen de borstkas van de bij of tegen de bloem die wordt bezocht en kunnen zo de vibraties registreren.” Ook gebruikten ze thermografie om te zien hoe bijen omgaan met de extra warmte die ontstaat tijdens het zoemen. Met high-speedcamera’s ontdekten ze bovendien nieuwe gedragingen, zoals het bijten in bloemen om de vibraties over te brengen.
Temperatuur en zware metalen
Maar al dit gezoem is aan het veranderen. Nieuw onderzoek laat zien dat hogere temperaturen een veel grotere invloed hebben dan gedacht: ze verminderen de snelheid van de trillingen. Ook blootstelling aan zware metalen verlaagt de frequentie van de spiercontracties tijdens het zoemen.
Je zou misschien denken dat dit in heel warme gebieden meer speelt dan op plekken waar het koud is, maar dat is niet zo. Bij experimenten in het noordpoolgebied en meer zuidelijk gelegen gebieden was het effect hetzelfde: het is de verandering in temperatuur die het verschil maakt, niet een stijging in absolute zin.
Vervuiling
Begrijpen hoe het klimaat het gezoem van bijen beïnvloedt, geeft niet alleen unieke inzichten in hun gedrag, maar helpt ook om bedreigde soorten of regio’s te identificeren. Bovendien kan dit onderzoek bijdragen aan verbeterde AI-gebaseerde detectie van bijensoorten via geluid.
“Misschien kan het gezoem zelfs gebruikt worden als een stress- of milieumarker”, stelt Woodrow. “We weten nu dat vervuiling het zoemen kan beïnvloeden, dus het zou een indicator voor de gezondheid van ecosystemen kunnen zijn.”
Zoemen is cruciaal
Het is belangrijk deze veranderingen te begrijpen, omdat het gezoem cruciaal is voor veel aspecten van het bijenleven. Verstoorde vibraties kunnen leiden tot slechtere communicatie in de kolonie, inefficiënte warmteregulatie of minder voedsel voor de jongen.
Voor de biodiversiteit is een verminderde zoembestuiving eveneens een grote zorg. “Deze bestuiving kost de bij veel energie en er komt veel warmte bij vrij. Bij te hoge temperaturen kan een bij ervoor kiezen deze bloemen te vermijden”, aldus Woodrow.
Om daar meer inzicht in te krijgen wordt er gewerkt aan de ontwikkeling van speciale robotjes. “We willen bijenvibraties beter begrijpen met micro-robots, die we gebruiken om het loslaten van pollen beter te doorgronden”, besluit Woodrow.


