We geloven graag dat we precies zien wat er allemaal is. Maar soms ziet ons brein vooral wat er niet is. In nieuw onderzoek naar de illusie van afwezigheid laat onderzoeker Pierre Pascal Forster zien hoe we bepaalde afgeschermde ruimtes als leeg ervaren, ook wanneer er wél iets achter zit. Dat mechanisme kan goochelaars helpen, maar automobilisten in de problemen brengen.
Forster onderzocht of mensen spontaan aannemen dat de ruimte achter een blokkade leeg moet zijn. Stel je staat voor een pilaar in een kerk, denk je dan dat daar iets achter zit en hoe groot verwacht je dat het is? Om dat te testen kregen proefpersonen op een monitor een achtergrond te zien, gedeeltelijk bedekt door een paars ‘scherm’ met ronde gaten, in het Engels een occluder genoemd. Daarachter lag steeds een stuk fruit.
“We wilden weten onder welke omstandigheden deelnemers zich konden voorstellen dat een object daadwerkelijk is afgeschermd en wanneer ze ten onrechte aannemen dat er niets achter kan passen. We zagen dat variatie in het oppervlak invloed heeft op de oordelen van deelnemers. Ze konden zich niet voorstellen dat een object in de ruimte achter een klein scherm past, terwijl dat in werkelijkheid wel kan”, legt Forster uit aan Scientias.nl.
De illusie van afwezigheid
Het juiste experimentele ontwerp vinden om deze ‘illusie van afwezigheid’ te onderzoeken, was een uitdaging, vertelt de onderzoeker van de Radboud Universiteit. Hij definieert de kern van het fenomeen zo: “De illusie van afwezigheid is de perceptie dat een afgeschermde ruimte leeg is, ook al kunnen er heel goed objecten in die afgeschermde ruimte passen. Zelfs als we weten dat er andere objecten achter verborgen zijn, nemen we de ruimte nog steeds als leeg waar. Dit noemen we cognitieve ondoordringbaarheid. Het laat zien dat we te maken hebben met een perceptueel mechanisme dat niet door bewuste redenering kan worden veranderd”, aldus de onderzoeker.
Het verschilt overigens van het bekendere begrip objectpermanentie. “Objectpermanentie beschrijft onze ervaring dat objecten blijven bestaan wanneer we ze niet zien. In veel goocheltrucs lijken dingen uit het niets te verschijnen of in het niets te verdwijnen, wat onze verwachtingen op basis van objectpermanentie schendt. De illusie van afwezigheid draagt bij aan deze magische illusies door de ruimte waar dingen daadwerkelijk verborgen zijn leeg te laten lijken.”
Grootte van het scherm
Een opvallend resultaat: de grootte van het afgeschermde gedeelte beïnvloedt hoe leeg we het ervaren. “Als we een afgeschermde scène zien, is de grootte van het scherm een van de factoren die onze hersenen kunnen gebruiken om in te schatten of het plausibel is dat er een object achter verborgen zit. Als hij breder is, nemen onze hersenen aan dat het goed mogelijk is dat er een object achter zit”, legt Forster uit. Maar om een object van vergelijkbare grootte achter een kleiner scherm te verbergen, is een nauwkeurige uitlijning tussen het object en het ding waar het achter zit vereist. “Onze hersenen beschouwen dit als zeer onwaarschijnlijk. Dat kan in veel gevallen in onze omgeving waar zijn, maar niet altijd, aangezien grotere objecten in de dode hoek kunnen passen.”
Die gevoeligheid voor die toevallige uitlijning hangt samen met een basisaanname van het visuele systeem, namelijk het zogenoemde ‘generic view principle’. “Dit principe is een aanname van ons visuele systeem om de ambigue sensorische input die we over de omgeving ontvangen te interpreteren. Volgens het principe verwachten we dat als we dezelfde scène vanaf twee iets verschillende posities bekijken, we toch een vergelijkbare scène zien. Dit betekent dat ons visuele systeem ervan uitgaat dat we de omgeving vanuit een algemeen gezichtspunt zien. Als we bijvoorbeeld naar een klein object kijken dat delen van een scène bedekt, zouden we niet verwachten dat er dingen vanachter tevoorschijn komen als we onze positie slechts enkele centimeters veranderen. Daarom nemen we de ruimte achter zulke dingen als leeg waar”, klinkt het. “In het geval van de illusie van afwezigheid zouden objecten vanachter een scherm tevoorschijn komen als we onze positie een beetje verschuiven. Dit zou betekenen dat we de scène vanuit een toevallig perspectief zagen dat niet generaliseert over kleine verschuivingen in gezichtspunt. Met andere woorden: we hadden een toevallig perspectief dat we voor een algemeen perspectief aanzagen.”
In gewone taal: bij kleine schermen past een object er maar nét achter. Dan kijk je al snel vanuit een toevallig standpunt, waardoor de illusie sterk is. Wordt het scherm groter, dan past hetzelfde object er veel eenvoudiger achter en blijft het beeld ook bij kleine hoofdbewegingen consistent. De illusie verzwakt. Forster benadrukt dat er mogelijk ook andere mechanismen meespelen en dat het nog onduidelijk is hoe de illusie precies in de hersenen wordt verwerkt. Lopend EEG-onderzoek moet daar later meer over zeggen.
Van goocheltrucs tot de dode hoek
De impact reikt verder dan de theoretische psychologie: “Wat de illusie van afwezigheid voor mij zo interessant maakt, is dat ze ons niet alleen iets kan leren over hoe we de wereld waarnemen, maar ook directe toepassingen heeft in de echte wereld”, vertelt Forster enthousiast. “De illusie van afwezigheid kan bijvoorbeeld een indruk van levitatie of zweven creëren. Dat is iets wat we kunnen gebruiken om goocheltrucs te maken. Het klinkt misschien simpel, maar soms is het genoeg dat een object een verbindingsstaafje of een vinger afschermt om de indruk te wekken dat iets in het luchtledige zweeft. In andere gevallen kunnen goochelaars die smalle blindspots achter een object gebruiken om een ander object te verbergen. Als u de ruimte achter mijn duim als leeg waarneemt, kan ik daar een muntje verbergen om het in het niets te laten verdwijnen.”
Maar in het verkeer zijn de gevolgen natuurlijk een stuk minder leuk. “Daarom vind ik het belangrijk dat we weten dat deze illusie een rol speelt in ons dagelijks leven. Tijdens het rijden zijn er veel objecten die ons zicht belemmeren. Het meest in het oog springend is de A-stijl, de smalle stijl tussen de voorruit en de zijruit, die hele auto’s aan het zicht kan onttrekken. Het onderzoek dat ik heb gedaan suggereert dat dit een illusie van afwezigheid kan uitlokken: we verwachten geen andere weggebruiker in de dode hoek recht voor ons, wat het risico op verkeersongevallen vergroot. Als bestuurders de ruimte als leeg waarnemen, kan dat hen er ook van weerhouden de dode hoek te controleren, waardoor het risico toeneemt dat de andere weggebruiker verborgen blijft.”
Collega’s van Forster testen dit scenario in virtual reality. Ze simuleren bijvoorbeeld kruispuntsituaties waarin een auto tot het laatste moment verborgen blijft achter de A-stijl. Deelnemers schrikken en kunnen vaak niet verklaren waar de andere auto vandaan kwam, precies het soort verrassing dat in het echte verkeer ernstige gevolgen kan hebben.


