Wat slecht nieuws is voor de luchtwegen, blijkt goed nieuws voor de hersenen.

Er valt niet veel goeds te zeggen over astma: een ademhalingszieke waarbij er altijd kleine ontstekingen in de longen zitten. Astmapatiënten hebben dan ook vaak last van benauwdheid, piepend ademen en hoesten. Maar wat interessant is, is dat mensen met astma in vergelijking met anderen minder kans lijken te hebben op de ontwikkeling van een hersentumor. En nu hebben onderzoekers ontdekt waarom.

Meer over astma
Astma is een chronische ontsteking van de luchtwegen. De aandoening gaat gepaard met een vernauwing en verhoogde prikkelbaarheid van de luchtwegen en zorgt ervoor dat mensen benauwd of kortademig zijn, veel hoesten of een piepende ademhaling hebben. Wereldwijd zouden meer dan 300 miljoen mensen aan de ziekte lijden. In de toekomst neemt het aantal mensen met astma naar verwachting alleen maar toe. Men vermoedt dat tegen 2025 zo’n 400 miljoen mensen astma hebben. In Europa heeft op dit moment naar schatting tien procent van de bevolking astma. De chronische aandoening brengt astma-aanvallen met zich mee die kunnen leiden tot ziekenhuisopnames: zo’n 500.000 per jaar. Ongeveer 5 tot 10 procent van de mensen met astma hebben het in zo’n ernstige mate dat huidige behandelingen niet werken.

Het idee dat mensen met bepaalde ontstekingsziekten – zoals astma of eczeem – een kleinere kans hebben op hersentumoren, werd zo’n vijftien jaar geleden voor het eerst geopperd. Deze veronderstelling is gebaseerd op epidemiologische observaties. Maar waarom de twee zeer verschillende soorten ziekten met elkaar verband houden? Niemand die het wist. Sommige wetenschappers vroegen zich dan ook af of het veronderstelde verband wel echt bestond.

Studie
In een nieuwe studie, gepubliceerd in het vakblad Nature Communications, gingen onderzoekers de uitdaging aan om het mogelijke verband te verklaren. De onderzoekers voerden verschillende experimenten uit met genetisch gemodificeerde muizen die astma-verschijnselen vertoonden. En wat blijkt? De muizen met astma bleken inderdaad geen hersentumoren te vormen.

T-cellen
De onderzoekers denken nu ook te weten hoe dat komt. Het heeft namelijk te maken met T-cellen; witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in het afweersysteem. Dat zit zo. Astma wordt gekenmerkt door ontstekingsverschijnselen. Deze ontstaan in veel gevallen doordat de eigen afweer wordt geactiveerd, terwijl dit eigenlijk niet zou moeten. De T-cellen spelen hierbij een belangrijke rol. Wanneer er namelijk teveel T-cellen worden geactiveerd, kan dit leiden tot plaatselijke ontstekingsreacties, wat bij astma het geval is. Reacties die normaal nodig zijn om ziektekiemen en allergenen te bestrijden, zijn als het ware op hol geslagen en keren zich tegen het lichaam. Dit zorgt bij astmapatiënten voor ontstekingen in de longen, maar kan aan de andere kant de groei van hersentumoren voorkomen.

Decorine
Het verband zit hier: de T-cellen van astmatische muizen blijken een belangrijk eiwit af te scheiden; decorine genaamd. Voor de luchtwegen is decorine een probleem. Het werkt in op weefsels in de luchtwegen en verergert astma-symptomen. Maar in de hersenen, zo ontdekten de onderzoekers, is decorine gunstig. Daar werkt het eiwit in op microgliacellen; immuuncellen die het centrale zenuwstelsel beschermen tegen infecties en beschadigingen. Geactiveerde microglia kunnen echter ook de groei en ontwikkeling van hersentumoren bevorderen. Maar doordat decorine invloed uitoefent op deze microgliacellen, is de kans dat astmapatiënten hersentumoren ontwikkelen, verkleind. Kortom, wat slecht nieuws is voor de luchtwegen, kan goed nieuws zijn voor de hersenen.

Behandeling
De bevindingen suggereren een mogelijke oplossing voor hersentumorpatiënten. “Natuurlijk gaan we bij niemand astma veroorzaken,” zegt onderzoeker David Gutmann. “Maar wat als we de T-cellen kunnen laten denken dat ze astma-T-cellen zijn wanneer ze de hersenen binnenkomen, zodat ze niet langer de vorming en groei van hersentumoren ondersteunen? Deze bevindingen openen de deur naar nieuwe soorten behandelingen die gericht zijn op T-cellen en hun interacties met cellen in de hersenen.”

Het betekent dat het herprogrammeren van T-cellen bij hersentumorpatiënten mogelijk uitkomst kan bieden. “De volgende stap is om te kijken of hetzelfde opgaat voor andere soorten hersentumoren,” zegt Gutmann. “We onderzoeken ook de rol van eczeem en infecties in de vroege kinderjaren, omdat ze beide betrekking hebben op T-cellen. Naarmate we deze communicatie tussen T-cellen en de cellen die hersentumoren bevorderen beter begrijpen, zullen we beter in staat zijn om goede behandelplannen te ontwikkelen.”