Zoogdieren houden er de gekste eetgewoonten op na, of het nu vleermuizen zijn die bloed drinken of primaten die boomsap slurpen, maar één vreemd hapje is bijzonder populair: mieren.
Uit een nieuwe studie blijkt hoe zoogdieren zich in de afgelopen 66 miljoen jaar minstens twaalf keer onafhankelijk van elkaar gespecialiseerd hebben in het eten van mieren en termieten.
Dit selectieve dieet, dat officieel myrmecofagie heet, komt tegenwoordig nog maar bij twintig diersoorten voor. Denk aan het schubdier, het aardvarken en natuurlijk de reuzenmiereneter. Daarnaast zijn er nog ruim tweehonderd zoogdiersoorten die regelmatig mieren of termieten op het menu hebben staan. “Maar slechts een klein aantal ging zo ver dat ze alleen nog maar dit soort insecten eten”, zegt Phillip Barden, hoofdauteur van het onderzoek en bioloog aan het New Jersey Institute of Technology. “Deze studie laat zien hoe ongelooflijk krachtig de selectiedruk van mieren en termieten is geweest: ze hebben letterlijk het uiterlijk van soorten veranderd.”
Een evolutionaire ‘smaak’
Na de bekende massa-extinctie, waardoor 66 miljoen jaar geleden de dino’s het loodje legden, ontstond er ruimte voor nieuwe ecosystemen. Mieren en termieten wisten zich razendsnel aan te passen en verspreidden zich in een noodtempo over de wereld. “Hun enorme biomassa veroorzaakte een evolutionaire kettingreactie in flora en fauna”, legt Barden uit. Waar sommige soorten afweermechanismen ontwikkelden om de insecten te ontwijken, kozen andere er juist voor om ze dan maar op te eten.
En dat is precies wat gebeurde. Uit een uitgebreide analyse van voedingsdata van 4099 zoogdiersoorten, gebaseerd op bijna een eeuw aan literatuur, veldstudies en taxonomische beschrijvingen, reconstrueerden onderzoekers het evolutionaire voedingspad van de dieren. Ze vonden minstens twaalf onafhankelijke momenten waarop zoogdieren volledig overstapten op een mierentermietendieet. Daarbij maakten ze een ‘voedselstamboom’ waarin ze verschillende dieettypes in kaart brachten, van pure carnivoren tot alleseters en insectivoren.
Een moeilijk dieet
Maar waarom zijn er dan uiteindelijk maar zo weinig echte miereneters? “De ecologische en lichamelijke aanpassingen die nodig zijn, vormen een enorme barrière”, legt Thomas Vida, onderzoeker aan de Universiteit van Bonn, uit. Om tienduizenden kleine, taaie insecten te verorberen, moeten soorten beschikken over kleverige, lange tongen, klauwen om nesten open te breken, sterke magen en vaak nauwelijks tanden.
Bovendien moeten ze blijven eten. “Mieren en termieten leveren weinig energie. Een klein dier als de buidelmiereneter moet dagelijks 20.000 termieten eten. Een aardwolf (soort hyena) kan er zelfs 300.000 in één nacht verorberen.”
Een evolutionaire val
Opmerkelijk is dat soorten die eenmaal gespecialiseerd zijn in mieren eten, daar zelden nog van afstappen. Slechts één geslacht – de Macroscelides, een groep olifantspitsmuizen – wist na miljoenen jaren als miereneter weer terug te keren naar een meer gevarieerd dieet. Voor de rest geldt: eens een miereneter, altijd een miereneter.
Acht van de twaalf evolutionaire lijnen worden op dit moment zelfs vertegenwoordigd door slechts één soort. Dat maakt deze dieren kwetsbaar. “In zekere zin zet je jezelf als soort in een hoek”, zegt Barden. “Maar zolang sociale insecten de wereld domineren, hebben deze specialisten misschien ook juist een streepje voor.”
Dat voordeel lijkt bovendien alleen maar toe te nemen. Klimaatverandering, opwarming en menselijke activiteit zorgen ervoor dat soorten met enorme kolonies, zoals invasieve vuurmieren, steeds meer terrein winnen. En waar die insecten floreren, kunnen de myrmecofagen misschien nog wel eeuwen overleven.
Elke tak zijn eigen miereneter
Wat het onderzoek extra bijzonder maakt, is dat het aantoont hoe myrmecofagie in alle drie de grote zoogdiergroepen onafhankelijk ontstond: bij de eierleggende snaveldieren, de buideldieren en de zoogdieren met een placenta. Toch ging het lang niet bij alle families even makkelijk. Insecteneters maakten de overstap ongeveer drie keer vaker dan vleeseters.
Maar er zijn ook diergroepen die helemaal geen miereneters bevatten, terwijl de vleeseters goed zijn voor ongeveer een kwart van alle soorten die overstapten op mieren en termieten eten. “Dat was verrassend”, zegt Barden. “De stap van het eten van gewervelde prooien naar duizenden kleine insecten vergt een radicale verandering in fysiologie en gedrag.”
Maar die verandering bleek voor sommige soorten de sleutel tot succes. En zolang het mierenfeest voortduurt, blijven deze dieren hét bewijs dat specialisatie, hoe extreem ook, een uitstekende overlevingsstrategie kan zijn.


