In de afgelopen 35 jaar zijn er meer dan 88.000 kleine meren op aarde bijgekomen. En dat baart wetenschappers zorgen.

Een internationaal team van onderzoekers heeft voor het eerst uitgezocht hoeveel meren er op aarde te vinden zijn en hoe die meren in de afgelopen decennia geëvolueerd zijn. Ze maakten daartoe onder meer gebruik van satellietbeelden. Het onderzoek wijst uit dat het door meren in beslag genomen aardoppervlak tussen 1984 en 2019 met zo’n 46.000 km2 is toegenomen. Even ter vergelijking: Nederland heeft een oppervlak van zo’n 41.500 km2.

Kleine meertjes nemen toe
Meren winnen dus terrein. En dat komt voornamelijk doordat het aantal kleine meertjes flink is toegenomen, zo stellen de onderzoekers. Tussen 1984 en 2019 kwamen er op zes continenten netto namelijk 88.694 kleine meertjes bij. “We zagen de grootste toename in nieuwe kleine meren in het zuiden van Azië, het zuidoosten van Argentinië, het westen van Groenland en het zuidoosten van Amerika,” vertelt onderzoeker Jing Tang, verbonden aan de universiteit van Kopenhangen aan Scientias.nl.

Hoeveel meren zijn er op aarde? Het klinkt misschien als een onmogelijke Triviant-vraag. Maar voor wetenschappers is het heel belangrijk om daar een vrij nauwkeurig antwoord op te kunnen formuleren. Want meren zijn heuse CO2-fabrieken. Wanneer planten en dieren die in een meer leven doodgaan, zakken ze namelijk naar de bodem. Bacteriën en schimmels die daar leven, voeden zich vervolgens met die dode resten en stoten daarbij en passant enorme hoeveelheden koolstofdioxide, methaan, distikstofmonoxide en andere gassen uit. Sommige van die gassen belanden uiteindelijk ook weer in de atmosfeer. Het maakt van meren een soort natuurlijke CO2-fabriekjes. Hun gezamenlijke uitstoot zou daarbij ongeveer equivalent zijn aan 20 procent van de door de verbranding van fossiele brandstoffen ingegeven CO2-emissie. En experimenten suggereren dat klimaatverandering – onder meer door een toename van organisch materiaal in meren – ervoor gaat zorgen dat meren in de toekomst nog meer CO2 uit gaan stoten.

4,8 teragram CO2
Een toename van meren is dus ook een toename van CO2-fabriekjes. En dat zien de wetenschappers ook terug in hun data. In hun studie – verschenen in het blad Nature Communications – melden ze dat de CO2-emissie van meren tussen 1984 en 2019 op jaarbasis met zo’n 4,8 teragram (1 teragram is 10^12 gram, oftewel 10^9 kilogram) is toegenomen. Zo’n 45 procent van die toename in CO2-uitstoot komt voor rekening van kleine meren (meren met een oppervlak kleiner dan 1 km2). Ook de methaanuitstoot van de meren nam in de studieperiode toe en die is voor zelfs 59 procent te herleiden naar kleine meren. Dat klinkt misschien wat vreemd, zeker als je bedenkt dat kleine meren slechts 15 procent van het totale meeroppervlak uitmaken. Maar kleine meren stoten nu eenmaal relatief gezien meer CO2-uit dan hun grotere soortgenoten, zo legt Tang uit. “Kleine meren stoten een onevenredig grote hoeveelheid broeikasgassen uit omdat zich daar doorgaans meer organisch materiaal ophoopt dat vervolgens in gassen wordt omgezet. Daarnaast zijn ze vaak ook minder diep, waardoor die gassen gemakkelijker het wateroppervlak en vervolgens de atmosfeer kunnen bereiken.”

De nieuwe inschatting van de CO2-uitstoot van meren wereldwijd valt wel ietsje lager uit dan eerdere inschattingen. “Dat komt waarschijnlijk doordat in eerdere studies veel grotere meeroppervlakken werden gebruikt. Wij denken dat onze inschattingen van het oppervlak van meren nauwkeuriger zijn.” Tegelijkertijd merkt Tang wel op dat we de uitstoot van (met name kleine) meren nog niet helemaal doorgronden en ook de nieuwe inschattingen slechts – nou ja – inschattingen zijn. “Meer metingen zijn zeker nodig om de factoren die de uitstoot van kleine meren reguleren, beter te begrijpen.”

Redenen
Dat het aantal meren op aarde – en dan dus met name het aantal kleine meren – toeneemt, heeft eigenlijk twee redenen, zo stellen de onderzoekers. Namelijk: menselijke activiteiten en klimaatverandering. Ongeveer de helft van de toename in meeroppervlak is te verklaren door de aanleg van waterreservoirs, oftewel kunstmatige meren. De andere helft is te herleiden naar smeltende gletsjers en dooiend permafrost. “Tussen de jaren tachtig en 2000 zien we dat de toename in meeroppervlak voornamelijk ontstaat doordat gletsjer en permafrost smelten, maar ook door de expansie van waterreservoirs. Tussen 2000 en 2010 wordt de toename in oppervlak van meren echter gedomineerd door een substantiële expansie van reservoirs,” vertelt Tang.

Afnames
Netto gezien neemt het aantal meren en het oppervlak dat zij beslaan dus toe. Maar er zijn ook gebieden waar meren kleiner worden of zelfs verdwijnen. Bijvoorbeeld door (aanhoudende) droogte of doordat het water er ten behoeve van de waterconsumptie aan wordt onttrokken. “Een paar belangrijke gebieden waar het aantal meren afneemt zijn het midden van Argentinië, het noordoosten van China en Centraal-Azië,” aldus Tang. Maar die afnames wegen dus niet op tegen de toenames die de wetenschappers elders zagen.

De onderzoekers zien hun studie als een voorzetje; veel meer onderzoek naar meren wereldwijd (en hun uitstoot) is hard nodig. “Grote aantallen kleine meren bevinden zich ten noorden van de 60e breedtegraad, waar de temperaturen het sterkst stijgen en grote hoeveelheden koolstof in permafrost zitten opgeslagen,” vertelt Tang. “De uitstoot van meren in deze regio is zorgwekkend en zou nader gekwantificeerd moeten worden.”

Maar het onderzoek heeft niet alleen implicaties voor de uitstoot van meren en dus ons koolstofbudget. De dataset van Tang en collega’s – die ook heel kleine meertjes, tot een oppervlak van wel 0,03 km2 herbergt – kan ook gebruikt worden om andere zaken gedetailleerd te bestuderen of monitoren. “De dataset kan ook gebruikt worden om betere inschattingen te maken van de hoeveelheid water in zoetwatermeren of om de kans op overstromingen te beoordelen.”