15 jaar na de laatste shuttlevlucht: NASA’s duurste vergissing bleek ook zijn grootste succes

Vandaag is het exact vijftien jaar geleden dat spaceshuttle Atlantis landde, waarmee een einde kwam aan het spaceshuttleprogramma. Een terugblik op de nalatenschap van het meest controversiële ruimtevaartuig ooit gebouwd.

Het was 21 juli 2011, 11:57 uur Nederlandse tijd, toen spaceshuttle Atlantis op Kennedy Space Center in Florida neerstreken. Het betrof missie STS-135, de 135ste en tevens laatste vlucht van het spaceshuttleprogramma. Vijftien jaar later is de landing van Atlantis nog altijd een mijlpaal die in de ruimtevaartgeschiedenis weergalmt. De spaceshuttles van NASA waren méér dan alleen transportmiddelen; ze belichaamden een droom van herhaalbare en betaalbare ruimtevaart. Een droom die nooit helemaal uitkwam…

(video van de landing van NASA’s laatste shuttle op 21 juli 2011 om 05:57 uur lokale tijd –
tekst gaat door onder video’s)

Een compleet ander ruimtevaartuig

De spaceshuttle was in zijn tijd een technologisch wonder. Het voertuig bestond uit een herbruikbaar ruimtevliegtuig; de orbiter, die werd gelanceerd met een wegwerpbare externe brandstoftank en twee herbruikbare vastebrandstoftrappen. Het kon tot acht astronauten en ruim 22.000 kilogram vracht in een lage baan om de aarde brengen. Na afloop van de missie keerde de orbiter terug in de atmosfeer en landde als een zweefvliegtuig. Het was het eerste gevleugelde, bemenste ruimtevaartuig dat meerdere vluchten naar een baan om de aarde maakte. Tussen 1981 en 2011 vlogen de vijf orbiters: Columbia, Challenger, Discovery, Atlantis en Endeavour samen 135 missies, vervoerden ze 355 astronauten uit zestien landen en legden ze bijna 872 miljoen kilometer af.

Spaceshuttle Atlantis op lanceerplatform 39A, 7 juli 2011, een dag voor de laatste vlucht van het Shuttle-programma. De roterende constructie (RSS) is net weggezwenkt, waarmee de shuttle volledig zichtbaar wordt voor de lancering. STS-135 zou een missie van twaalf dagen naar het ISS worden en landde succesvol terug op Aarde op 21 juli 2011. Foto: NASA/Bill Ingalls

Een programma onder spanning

Toch werd de spaceshuttle nooit hetgeen wat ooit beloofd was. De oorspronkelijke gedachte was dat de shuttle tientallen keren per jaar zou vliegen en de ruimtevaart betaalbaar zou maken. De schattingen voor de lanceringskosten in 1972 lagen rond de 1.400 dollar per kilogram. De werkelijkheid bleek weerbarstiger. De totale kosten van het Shuttle-programma tot 2011 waren omgerekend naar de waarde van dat moment bijna 196 miljard dollar. Dat komt neer op zo’n 1,5 miljard dollar per lancering, oftewel ruim 60.000 dollar per kilogram vracht. De hoge onderhoudskosten van de complexe hitteschilden en motoren maakten de beloofde efficiëntie onmogelijk.

Zeker richting het pensioneren van de shuttles werd de kritiek op het gehele programma heviger vanuit experts, die stelden dat het Shuttle-programma er nauwelijks in was geslaagd de beloofde kosten- en bruikbaarheidsdoelen te realiseren en dat er bovendien sprake was van aanhoudende problemen: met het ontwerp, de kosten, het management en de veiligheid. Dat ontwerp was van meet af aan een compromis.

Een greep uit de vele ontwerpconcepten voor de spaceshuttle die in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig de revue passeerden, voordat NASA en het Amerikaanse ministerie van Defensie tot een definitief ontwerp kwamen. De afbeelding toont de evolutie van volledig herbruikbare tweetrapsconcepten (boven) naar het uiteindelijke compromisontwerp met herbruikbare orbiter, wegwerpbare externe brandstoftank en twee vastebrandstoftrappen (rechtsonder) die ‘refurbishbaar’ waren. Deze concepten vormden de basis voor het ruimtevaartuig dat uiteindelijk werd gebouwd. Afbeelding: Mark Wade/Encyclopedia Astronautica

NASA, het Amerikaanse civiele ruimtevaartagentschap dus, had oorspronkelijk een veel kleinere, lichtere shuttle voor ogen met twee korte, stompe vleugels; een eenvoudige ‘personenbus’ voor transport naar een lage baan om de aarde. Maar het Amerikaanse ministerie van Defensie, dat financieel bijsprong en óók afnemer werd van dezelfde shuttle, eiste een groot dwarsbereikvermogen (cross-range) voor militaire missies, wat dwong tot de enorme deltavleugels die de uiteindelijke orbiter zo kenmerken. Die vleugels maakten het voertuig niet alleen zwaarder en trager, ze vereisten ook een gigantisch hitteschild met tienduizenden kwetsbare tegels: een onderhoudsintensieve nachtmerrie die de beloofde efficiëntie onmogelijk maakte. Ook de keuze voor herbruikbare hoofdmotoren, gemonteerd in de orbiter zelf, leek logisch voor hergebruik, maar dreef de onderhoudskosten enorm op en maakte het voertuig complexer en riskanter, onder andere omdat deze op waterstof werkte wat leidt tot waterstofverbrossing. Wat overbleef was een hybride die nóch de eenvoud van NASA’s oorspronkelijke droom, nóch de robuustheid van een militair voertuig bezat: een ontwerp waarin alle partijen water bij de wijn hadden gedaan, maar niemand echt tevreden was.

Technische ontwerptekening van de spaceshuttle, afkomstig uit een NASA-document uit 1974. De afbeelding toont de opbouw van het ruimtevaartuig in afzonderlijke secties: de neus, de romp met het laadruim, de vleugels en het achterschip. Dit is het uiteindelijke ontwerp dat na jaren van studies, militaire eisen en budgettaire dwang tot stand kwam – een hybride van civiele ambitie en militaire noodzaak, gevangen in een technisch compromis dat dertig jaar dienst zou doen. Afbeelding: NASA

De militaire invloed beperkte zich overigens niet tot het ontwerp. Ongeveer tien procent van alle shuttlevluchten betrof strikt geheime operaties voor het Pentagon, die ermee vaak spionagesatellieten in een baan om de aarde brachten. De eerste volledig militaire missie was STS-51C in januari 1985; daarna volgden onder meer STS-27, STS-28, STS-33 en STS-36. Ook werd er een compleet lanceercomplex gebouwd op Vandenberg Air Force Base in Californië, speciaal voor geheime lanceringen naar polaire banen; een project dat zo’n 3 miljard dollar kostte maar nooit is gebruikt. Na de Challenger-ramp in 1986 (zie verderop) besloot het Pentagon dat het te riskant was om afhankelijk te zijn van de shuttle voor cruciale nationale veiligheidsmissies en schakelde het weer over op wegwerpbare raketten en de latere Boeing X-37 (OTV) shuttle. De laatste militaire Spaceshuttle-vlucht was STS-53 in december 1992.

Zonsopgang vastgelegd vanuit spaceshuttle Discovery tijdens de derde dag van de geheime militaire missie STS-51C, 26 januari 1985. Discovery bevond zich op dat moment op ruim 333 kilometer boven het aardoppervlak, tijdens de 22ste omloop van de missie. De foto symboliseert de veelzijdigheid van de shuttle: niet alleen wetenschappelijk en commercieel, maar ook militair, waarbij gedurende deze missie de geheime spionagesatelliet USA-8 werd uitgezet. Foto: NASA/Johnson Space Center

De schaduw van twee rampen

Twee van de vijf orbiters gingen verloren bij catastrofale ongelukken. In januari 1986 viel Challenger uiteen, 73 seconden na de lancering, door falende pakkingen in een van de twee vastebrandstoftrappen. In februari 2003 desintegreerde Columbia tijdens de terugkeer in de atmosfeer, nadat een stuk isolatieschuim van de externe tank bij de lancering het hitteschild van de vleugel had beschadigd. Veertien astronauten kwamen bij deze twee rampen om het leven. De ongelukken waren niet alleen technisch van aard. Onderzoeken wezen op een cultuur bij NASA waarin waarschuwingen van ingenieurs niet altijd serieus werden genomen. Het fenomeen ‘normalisering van afwijkingen’, namelijk het steeds accepteren van kleine afwijkingen omdat ze eerder niet tot een ramp leidden, speelde een duistere rol.

Het besef van de kwetsbaarheid van de shuttle was na Columbia volledig doordrongen. Voortaan moest bij elke missie een tweede shuttle paraat staan als reddingsschip, een zogeheten Launch On Need-missie. Als de vliegende orbiter tijdens visuele inspecties onherstelbare schade aan het hitteschild vertoonde, kon de bemanning schuilen in het ISS, waarna de reserve-shuttle zou worden gelanceerd om hen veilig terug te halen. Voor de laatste Hubble-onderhoudsmissie, die het ISS niet kon bereiken, stond shuttle Endeavour zelfs wekenlang op de lanceerplaats klaar voor een shuttle-naar-shuttle-reddingsmissie. Geen van deze reddingsmissies is ooit werkelijk nodig geweest als zodanig, maar ze onderstrepen hoezeer het vertrouwen in de shuttle was aangetast bij NASA zelf, en hoe hoog de prijs was van het ontbreken van een echt veilig ontwerp.

Twee spaceshuttles tegelijk op de Kennedy Space Centre lanceerbasis in Florida: Atlantis (links, voor STS-125) en Endeavour (rechts, voor ‘STS-400’), gefotografeerd op 21 april 2009. Het beeld onderstreepte de kwetsbaarheid van het Shuttle-programma: Endeavour stond paraat voor een Launch On Need-reddingsmissie, voor het geval Atlantis tijdens de laatste Hubble-onderhoudsmissie onherstelbare schade zou oplopen. Foto: NASA/Dimitri Gerondidakis

Een onmisbare erfenis

Ondanks de kritieken en de tragedies boekte het Shuttle-programma ongekende successen(!). De shuttles waren onmisbaar voor de bouw en bevoorrading van het internationale ruimtestation (ISS). Zo’n veertig missies waren gewijd aan het samenstellen van het ruimtelaboratorium, waarvoor meer dan honderd ruimtewandelingen nodig waren. De Hubble-ruimtetelescoop, in 1990 gelanceerd en later meerdere malen onderhouden en gerepareerd, is misschien wel het meest zichtbare eerbetoon aan de shuttle. Daarnaast bood de shuttle onderdak aan Spacelab, het door Europa ontwikkelde laboratorium dat in het laadruim werd meegenomen en plaats bood aan tientallen wetenschappelijke experimenten op het gebied van microzwaartekracht, materiaalkunde en levenswetenschappen. De Nederlandse astronaut Wubbo Ockels maakte hiervan gebruik tijdens zijn vlucht met Challenger in 1985, als vrachtspecialist op de Duitse/ESA’ Spacelab D1-missie. De shuttle heeft daarnaast tal van satellieten uitgezet en tot slot een generatie geïnspireerd op de hoogste regionen van kennis en kunnen. Een reeks in foto en in woord, als ode aan het programma:

Leestip: Wubbo Ockels: 40 jaar na de vlucht van de eerste Nederlander in de ruimte

De lancering van STS-1 op 12 april 1981 vanaf platform 39A, enkele seconden na 07:00 uur lokale tijd. Aan boord van spaceshuttle Columbia bevinden zich astronauten John Young en Robert Crippen voor een missie van 54 uur in een baan om de aarde, die eindigt met een zweeflanding op Edwards Air Force Base in Californië. Foto: NASA
De Hubble-ruimtetelescoop, zojuist losgelaten door de robotarm van spaceshuttle Discovery, op het moment van uitzetting tijdens missie STS-31, 25 april 1990. De IMAX-camera in het laadruim legde dit historische moment vast, waarop één van de meest succesvolle wetenschappelijke instrumenten ooit zijn reis naar een baan om de aarde begon. Hoewel het succes van Hubble wel vijf latere servicemisses vereisten, allen ook met shuttles uitgevoerd in 1993 (STS-61), 1997 (STS-82), 1999 (STS-103), 2002 (STS-109) en in 2009 (STS-125). Foto: NASA/IMAX
De eerste Nederlandse astronaut Wubbo Ockels (of tweede, na Lodewijk van den Berg), gekleed in een korte broek en geitenwollen sokken, tijdens de STS-61A missie in het Spacelab D-1 module in het vrachtruim van spaceshuttle Challenger, gelanceerd op 30 oktober 1985. Foto: NASA/ESA
Spaceshuttle Atlantis, gefotografeerd tegen de Californische bergen, tijdens het transport op de rug van één van NASA’s Boeing 747 Shuttle Carrier Aircraft’s (SCA), september 1998. De shuttle keerde na een tien maanden durende opknapbeurt terug van Californië naar Florida. Omdat de shuttle geenszins gebouwd is voor atmosferische afstandsvluchten anders dan stijle, ongemotoriseerde glijvluchten, was dit dé aangewezen manier om shuttles tussen NASA-faciliteiten te vervoeren. Foto: NASA/Carla Thomas
Spaceshuttle Atlantis gekoppeld aan het Russische ruimtestation Mir, gefotografeerd tijdens een korte fly-around door de Mir-19-bemanning in een Sojoez-capsule op 4 juli 1995, kort voordat Atlantis zou ontkoppelen na deze eerste Shuttle-Mir-missie (STS-71). In totaal brachten negen spaceshuttles – Atlantis zeven maal, Discovery en Endeavour elk eenmaal – een bezoek aan Mir tijdens het Shuttle-Mir-programma (1994-1998). Het programma was de opmaat naar het ISS en legde de basis voor stevige samenwerking tussen de eerdere ruimterivalen Rusland en de V.S.. Foto: NASA
Twee astronauten werken tijdens ‘Servicing Mission 1’ (STS-61) in december 1993 aan het installeren van de corrigerende optiek van de Hubble-ruimtetelescoop. De spaceshuttle maakte het mogelijk om de telescoop in 1990 te lanceren en later meerdere malen te repareren en te upgraden, waarmee Hubble uitgroeide tot een van de meest succesvolle wetenschappelijke instrumenten ooit. Foto: NASA
Zarya, de eerste Russische ISS-module (boven), is in het laadruim van spaceshuttle STS-88 gekoppeld aan de door gelijke shuttle meegenomen Unity-module (middenonder): de eerste Amerikaanse module, op 6 december 1998. Twee astronauten voeren ruimtewandelingen uit om de verbindingen tussen de twee modules tot stand te brengen. Het was het prille begin van wat het grootste object in een baan om de aarde zou worden. Foto: NASA
Astronaut Dale A. Gardner houdt gekscherend een ‘For Sale’-bord omhoog bij de twee gefaalde, in het vrachtruim terug gevangen satellieten Palapa B-2 en Westar 6, tijdens shuttle-missie STS-51A in 1984. STS-51A zette eerder tijdens deze missie twee communicatiesatellieten succesvol uit, en haalde de Palapa B-2 en Westar 6 terug, destijds uitgezet door STS-41-B maar waarvan de eigen motoren niet activeren wilden en Palapa B-2 en Westar 6 zodoende niet in de juiste baan terecht kwamen en verloren werden beschouwd. De foto vat de veelzijdigheid van de shuttle samen: niet alleen bouwen en repareren, maar ook satellieten terughalen uit een baan om de aarde. Foto: NASA
Spaceshuttle Atlantis, gekoppeld aan het ISS. In het laadruim is de Russische Rassvet-module zichtbaar, die tijdens STS-132 (mei 2010) werd afgeleverd. De missie stond mede in het teken van drie ruimtewandelingen, waarbij astronauten buitenboord werkten aan het uitbreiden en onderhouden van het ISS. Het ISS is mede door de shuttle missies van het soort en grootte gekomen waarin deze ruim 25 jaar wetenschap en historie schreef. Foto: NASA

Leestip: Alleen in de ruimte zonder veiligheidslijn: deze astronaut durfde dat in 1984

De drie nog resterende, gevlogen orbiters Discovery, Atlantis en Endeavour plus een zesde gebouwde test-orbiter Enterprise staan nu verspreid tentoongesteld over musea in de Verenigde Staten, als tastbare herinnering aan een complex tijdperk. Hun technologische erfgoed leeft voort: onderdelen van de spaceshuttles, zoals de hoofdmotoren, worden hergebruikt voor NASA’s nieuwe Space Launch System-raket voor het Artemis-programma.

Een hoofdstuk afgesloten, een nieuwe begonnen

Met de landing van Atlantis viel, exact vijftien jaar geleden, niet alleen het doek voor een ruimtevaartuig, maar ook voor een illusie. De shuttle was een hybride van tegenstrijdige eisen: een civiele personenbus die ook nog eens geheime spionagesatellieten moest lanceren, een herbruikbaar wonder dat juist door die herbruikbaarheid onbetaalbaar werd, een technisch meesterwerk dat twee keer explodeerde met veertien doden tot gevolg. Zijn nalatenschap is dan ook weerbarstig. Zonder de shuttle geen ISS, geen Hubble, geen basis voor de commerciële ruimtevaart van nu en wellicht andere samenwerking met de Russen, waar in ieder geval de eerste 25 jaar sinds de val van de Muur veel positiefs uit voortkwam. Maar gelijkertijd: zonder de shuttle hadden we wellicht eerder een veiliger, goedkoper en flexibeler alternatief ontwikkeld, zoals efficiëntere raketten en veiliger capsules zoals we ze nu zien. Het is die spanning; tussen wat de shuttle had moeten zijn en wat hij uiteindelijk werd, die het programma tot op de dag van vandaag zo fascinerend maakt. Vijftien jaar later vliegen SpaceX, Boeing en Lockheed Martin af en aan naar de ruimte, bouwt NASA aan een terugkeer naar de Maan en tonen de orbiters zich in musea. De shuttle is geschiedenis, maar de lessen die hij ons naliet, over ambitie, over compromissen, over de grenzen van technologie en organisatie, zijn dat allerminst.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcasts met wetenschapsredacteur Diederik Jekel en hoofdredacteur Krijn Soeteman over het Apollo programma (aanrader!).

Bronmateriaal

"STS-135" - NASA
"The Shuttle’s Last Flight: An End, A New Beginning" - NASA
"Columbia Accident Investigation Board public hearing" - NASA
Afbeelding bovenaan dit artikel: NASA/Bill Ingalls

Fout gevonden?

Voor jou geselecteerd